Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

korte poozen betrad. In zijn laatste reisperiode, na '80, toen hij zonder voldoening een jaar het leeraarschap aan het Frankfortscheconservatoriumhadbeproefd, verrukte hij 't Nederlandsche publiek vooral met een eigen compositie, getiteld Elfenspiel. Hij heeft meer voor piano geschreven; Mummenschanz, Phantasiestücke, voorts een concert, werken die Riemann brillant maar ook degelijk van inhoud noemde.

ll!lllllllllllllllllllllllllllllll!ll|]||||||lilll]|[|||||||l!ll!IIIIHI IIIIIIIIÜIIIII1IIIIIIIUIIIIIIIIIIIIIII Illllllllllllllllllllll

De harmonieleer van het klavierspel

door OTTO LIES.

(Vervolg).

Moeten wé met Lobe de leer zijn toegedaan, dat alles, wat er uit ziet als een akkoord, ook werkelijk een akkoord is? Ja, wanneer niet een te snelle akkoordenwisseling de voorkeur doet geven aan een verklaring in den zin der harmonie-vreemde tonen (wisseltonen, doorgangstonen, „Vorhalte" enz.) Ook hier zal de harmoniewisseling onderworpen aan de door den muzikalen zin vereischte wisselverhoudingen het beslissende woord spreken. Het eerste maatdeel en in een maat met veel noten bijvoorbeeld de kwarten van de maat zullen de plaats van een werkelijk akkoord aanduiden en al het andere als figuurwerk en versieringen kenmerken. (Ook in het sleependste tempo kan men een langzamen triller of een dubbelslag toch niet gaan „harmoniseeren".) Het accent moet hier het akkoord aanduiden.

Modulatie.

Er kan alleen dan sprake zijn van een modulatie, als men door middel van nieuwe chromatische voorteekens geheel den ouden toonaard verlaat, en er vooreerst niet meer in terugkeert.

Alteratie.

De chromatische alteratie voor zeer

korte poos kan niet als modulatie worden opgevat, als verder in denzelfden toonaard wordt doorgegaan.

Problematiek.

Men moet niet overal de omkeering van een akkoord in tertsligging zoeken. Men heeft dikwijls volstrekt niet met een akkoord te doen, ook als schijnt dit volgens het recept: „keer om, totdat er een tertsligging te voorschijn komt," het geval te zijn.

Juist in de muziek en wel speciaal wat betreft de harmonie en de phraseering komen „problematische quaesties" voor, waarin men volstrekt niet naar bekrompen scholastische formules kan beslissen. Men zou den talentvollen eerstbeginnende terstond van de wijs brengen of in elk geval zijn vorderingen door vooroordeelen bemoeilijken, wanneer men de problematiek haar rechten zou willen benemen. De onzekerheid en de tegenstrijdigheid, de inconsequentie in de muziekleer is niet ontstaan uit de problematiek, maar uit de eigengerechtigheid van de zoogenaamde autoriteiten (ten onrechte door de groote menigte tot autoriteiten gestempeld). Hoe lang zulk een verkeerde of verkeerd opgevatte stelling van een autoriteit kan nawerken, wordt bijvoorbeeld bewezen door de vrees voor de zoogenaamde dissoneerende pythagorische terts, die nog tot in de laatste jaren der middeleeuwen heerschte. Het is echter dwaasheid te meenen, dat het gebruik van harmonieën, in den zin, dien wij er aan hechten, in de oudheid onbekend zou zijn geweest. De zoogenaamde Alexandrynsche geharmoniseerde toejuichingen bij Nero's optreden als „kunstenaar" in Napels (zie Suetonius ') Nero liet ter bevrediging van zijn kunstenaars-eerzucht verscheidene Alexandrijnen

') Met Suetonius' bericht kan men geen harmoniebegrip der Ouden bewijzen. Er wordt gesproken van modulatae laudationes, dat zijn toejuichingen op muzikale phrasen. v. W.

Sluiten