Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

60

Belangrijke Data.

16 Dec. * Ludwig von Beethoven 1770-1827.

* Jhr.Mr. J.C.M.vanRiemsdijk 1842—1895.

17 ,. * Dominico Cimarosa 1749—1801.

* Fritz Volbach 1854.

* Philipp Wolfrum 1861 — 1919.

18 ,. * Edward Alexander Mac Dowell 1861 —

1908.

*Carl Maria von Weber 1786—1826.

19 „ * Walter Braunfels 1882.

20 „ * Hugo Nolthenius 1848.

21 .. f Niels Wilhelm Gade 1817 —1890.

22 „ *Franz Abt 1819—1885.

24 ., * Johann Rudolph Ahle 1625—1673.

* Peter Cornelius 1824—1874.

* Gerard H. G. von Brucken-Fock 1859.

* J. Worp 1821-1891.

25 ,. * Tilly Koenen 1873.

* Peter Tschaikowsky 1840—1893.

26 „ * Jacques Presburg 1881.

* Arnold Spoel 1859.

27 .. * Ernst Boehe 1880.

♦Philipp Spitta 1841-1894.

28 „ * Alexander von Fielitz 1860.

29 ,. ■fKarl Millöcker 1842—1899. 31 ,. » Dirk Johan Gerbrands 1837.

Willen wij tegen Kerstmis eens denken aan Kerstmuziek ? Onze jaardagenlijst onthoudt ons de gelegenheid niet. Missen wij Sweelinck, Schütz, Bach en vele jongeren met wie wij graag zouden samenzijn, wij hebben Gade, Cornelius en Wolfrum. Wat er verouderd moge wezen van Mendelssohn's Deenschen epigoon, aanminnig blijft Der Kinder Christabend. Nog liever is ons de zangenbundel van hem die daarin dichtte:

Mich aber mahnt die Weihnachtszeit An Traume der Vergangenheit. Da Lichter heil am Baum erglommen, Ist mir als würd' ich Kindern gleich, Als dürft' ich mit Euch Kleinen kommen, Zu theilen Euer Himmelreich.

En hetzelfde getuigt voor een grootere gemeenschap maar öök vertrouwelijk een werk waarvoor nog wel eens aandacht mag worden gevraagd, en te meer omdat het ten onzent lang niet genoeg bekend is.

Zouden koordirigenten hier een vooroordeel hebben door een meening van

Rudolf Louis? De schrijver van Die deutsche Musik der Gegenwart hoorde bij de protestantsche componisten van zijn tijd niet den bij Liszt en Bruckner zoo duidelijken geloofstoon. Brahms deed hem in het religieuze vernemen wat Eduard von Hartmann asthetische Scheingefühle noemt; Draeseke dat niet eens, en hij zeide verder: Aber selbst eine in vieler Hinsicht so verdienstliche Schöpfung wie das Weihnachts-Mysterium des Heidelberger Universitats-Musik-direktors Philipp Wolfrum (geb. 1854) krankt daran, dass diese Musik ein Mann geschrieben hat, der Künstler genug ist, um secundar nacftempfinden en können, was als primares Lebensgefühl in seiner Brust keine Statte hat.

Ik heb in die voor mij door en door gezonde schepping, waarover Edgar Istel het boekje Das deutsche Weinachtspiel und seine Wiedergeburt aus dem Geiste der Musik schreef tot openingsstuk van prof. Ernst Rabich's voordrachtenverzameling Musikalischen Magazin, nooit het allerminste van zulk een krankheid gemerkt. Trouwens, het „navoelen" moet bij Philipp Wolfrum heel sterk zijn geweest. Hij was niet „enkel" koor- en orkestleider, kamermuziekspeler, organist, noviteitenpropagator, energieke voortstuwer die van Heidelberg een belangrijke muziekstad maakte, proefnemer wiens experimenten met beweegbaar podium en wisselend lichteffect een Fransche publicatie te Parijs tijdens den oorlog kregen, staatsadviseur, professor in de musicologie, Bacb-biograafen commentator, maar ook de cantorszoon uit het afgelegen stille Beiersche Schwarzenbach, dat voorvaderlijke kerstgebruiken in eere hield, de te Leipzig over evangelische kerkzangen gepromoveerde, die van de Heidelbergsche theologische faculteit als haar buitengewone hoogleeraar in hymmologie nög een doctorstitel ontving, en de bewerker van een kerkjaargang liederen in eenvoudige zeer stemmende zettingen voor kleine „Cantorein."

Sluiten