Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

73

van het motto: „Wetenschap van een aantal waarnemingen in een systematisch geheel te samen."

Wij verwijzen uitdrukkelijk naar dit artikel, waar wij in ons opstel Touzé vaak op den voet volgen. Toch is onze beschouwing geen vertaling of bewerking van Touzé's beschouwing.

Maar zoo vaak drukt de Fransche schrijver met de helderheid, den Gallischen geleerde eigen, zijn gedachten uit, dat wij zijn definities niet zouden kunnen verbeteren en het verstandigst doen door ze ongewijzigd over te nemen.

Het spreekt bijna vanzelf, dat Touzé zijn opstel niet zou kunnen beginnen, zonder er op te wijzen, hoe veel misverstand er heerscht waar de muzikale critiek zich over de modernste producten op compositiegebied tracht uit te spreken.

O zeker, het ontbreekt ons reeds niet aan cliché's, aan bepaalde frases, waarmede wij kunnen maskeeren, dat ons het juiste inzicht ontbreekt.

Zoodra het duidelijk is, dat een componist zich niet meer houdt aan de regels der harmonieleer, zooals wij allen die geleerd hebben, wordt de hulpeloosheid, waarin de beoordeelaar stond tegenover het onbegrijpelijke werk, verborgen door een woordenvloed en bepaalde termen komen dan als leidmotieven te pas en te onpas voor in den stroom van woorden.

Nu de componisten probeeren zich van de diatoniek los te maken, spreekt men vaak over atonale en polytonale toonzettingen, zonder dat men er zich rekenschap van geeft hoe onduidelijk en verwarring stichtend die benamingen zijn. Zij die de termen gebruiken, kunnen er zich evenwel op beroepen, dat, wanneer het niet mogelijk is, juist te omschrijven wat daarmede bedoeld is, dit ook geldt voor den term „diatonische tonaliteit."

Maurice Touzé wil nu langs twee wegen bewijzen, dat er een chromatische tonaliteit mogelijk is, dus een vrij gebruik van

alle chromatische tonen en toch een tonika, die in de muziek herkenbaar is en de verschillende chromatische tonen door zijn overheersching bepaalde beteekenis en kleur verleent, de basis kan vormen.

De eerste weg gaat uit van de Grieksche toonsoorten, van de oude kerktonen en de diatonische toonsoort.

De tweede weg loopt over de melodische evolutie gedurende de tijden der primitieve muziekbeoefening tot op heden.

Aristoteles heeft gezegd: „De toonsoorten onderscheiden zich door de afstanden der tonen binnen de octaaf en door de verschillen kunnen de verschillende gemoedsstemmingen uitgedrukt worden." De verduidelijking van deze stelling zal men later in dit artikel vinden.

Uitgaande van die stelling wordt dus hier niet naar een karakteristiek verschil gezocht tusschen C-dur en Ges-dur, om een voorbeeld te noemen, maar bezien wij alleen de toonsoort C-dur of A-mol en wij nemen aan, dat bij transpositie hooger of lager dezelfde eigenschappen zijn waar te nemen, zooals een huis, dat op een bepaalde manier is gemeubileerd, en gecopieerd wordt, uitwendig en inwendig gelijk, maar welks copie op hooger of lager terrein dan het model gebouwd wordt, inwendig niet van de nabootsing is te onderscheiden.

Laat ons nu eerst de Grieksche toonsoorten in herinnering brengen. Zij omvatten allen dezelfde tonen, c, d, e, f, g, a, b, en alleen door met een anderen toon te beginnen ontstaan de verschillen.

Beginnen wij met de hypo-lydische toonsoort, die wij van C uit aanvangen evenals onze volgende voorbeelden, dan krijgen wij de tonen c, d, e, fis g, a, b, c. Kwintsgewijs boven elkander geteld vormt gij dien toonladder door zes kwinten uitgaande van c, namelijk c-g-d-a-e-b-fis. De tonika komt het eerst.

Gewichtig is het hierbij op te merken dat wij onze toonladder volgens het be-

Sluiten