Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

10!

schoonheid te zwelgen, om te toonen wat hij kon. De tot in 't volmaakte afgebakende matebepaling van zijn toongeving, de beteugeling van elke zinlijke klankextase tot zuivere schoonheid, die ons altijd weer met bewonderende verbazing vervulde, is voor ons slechts op dezen grond te verstaan.

Toonvorming, techniek waren voor het hooge kunstenaarschap van Messchaert oneindig meer dan een kunnen, een beheerschen, een vaardigheid en virtuositeit — dat was alles iets voorloopigs, vanzelfsprekends, noodzakelijks; daarachter lag bij hem pas het werkelijke, datgene waar het op aan kwam — de geestelijke beelden van het volmaakte, de ontelbare mogelijkheden van den tot volkomen schoonheid gebrachten klank. Daarmee worstelde hij om in ieder geval afzonderlijk dién klankvorm te vinden, die geheel aan zijn artistieke voorstelling voldeed, zooals geen andere op die plaats vermocht.

In dezen zin was e/A:e toon voor hem bezield en op zichzelf reeds een kunstwerk. In onzen tijd met zijn zeer geprononceerden wil tot uitdrukking schijnt dit doel van elke toonvorming, n.1. de bewustheid en bezieling, voor de theorie op ons kunstgebied een heel gewoon begrip. Slechts diegene, die met zoekende oogen de theorieën doorloopt, weet hoe ver deze doorgaans nog verwijderd zijn van den zin, waarin Messchaert dit doel als het eenige voor hem bestaande opvatte, en met welk een hartstochtelijke overtuiging hij het opvatte. Het geestelijke van de techniek — de klankvoorstelling — was alles voor hem. Hemelsbreed is zijn vorm van het beleven der technische problemen verwijderd van die mechanische opvatting der techniek die bewustheid predikt, terwijl zij den mooien zangtoon het liefst zou qualificeeren als een aan te leeren product van willekeurige spierbewegingen; hemelsbreed is hij

eveneens verwijderd van de hier tegenoverstaande zienswijze, die de bezieling als hoofdfactor beschouwt en eiken toon op zichzelf reeds als drager van een affect wil maken.

Juist dit laatste moest in het oog van een kunstenaar als Messchaert een der onderste treden wezen op de trap der artistieke erkentenis. Want wat de onbewuste, toevallige, innerlijk niet beheerschte toonvorming op het gebied *van artistieke techniek is, dat is ook deze laatste opvatting op het gebied der artistieke uitvoering: namelijk enkel en alleen naturalisme. En wellicht was geen zangkunstenaar verder van dit naturalisme verwijderd dan Messchaert. Dit geldt zoowel voor het naturalisme der technische voortbrenging der tonen, als voor de artistieke voortbrenging. De volkomen uitdrukking van menschelijke hartstochten, de sterk expressieve positie van gevoelsverheffing en -stilling was voor Messchaert's artistiek willen weer alleen het vanzelfsprekende beginsel, de materie. Een artistiek doel kon de gevoelsuitbeelding zonder meer niet voor hem zijn; — ook zij was het lichaam, dat door den geest overwonnen moest worden. Zijn artistiek verlangen lag besloten in datgene wat achter de uitdrukking van het gevoel slaapt: zijn doel was niet het zeggen van de menschelijke ondervindingen, maar het uitbeelden van het geheel, van het onzegbare achter deze ondervindingen. Als Messchaert zong, trad het persoonlijke van het beleven geheel op den achtergrond; dan openbaarde zich voor ons een ruimte van gevoelen zoo groot, dat ons eigen meebeleven er in opgenomen werd en als het ware mede verwijd tot omspannend al-gevoel. Men zou het desverlangd een verheffing van het individueele in het typische, van het artistieke onderwerp in het'metaphysische kunnen noemen: wat zijn woorden tegenover het meesleepende van een groote kunstuiting? Op zulk een basis verrees

Sluiten