Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

10 „ f Johann Gottfried Mann 1858—1904.

12 „ * Arcangelo Corelli 1653-1713.

f Charles Louis Ambroise Thomas 1811 — 1896.

f Hans Guido von Bülow 1830—1894.

13 „ f Karl Martin Reinthaler 1822—1876.

f Wilhelm Richard Wagner 1813—1883.

14 ,, f Joh. Bernardus van Bree 1801 — 1857.

15 ,, "f" Michaël Iwanowitsch Glinka 1804—

1857.

f Wilhelmus Smits 1869.

Aan het einde der veertig jaren na Wagner's heengaan overdenken wij het ontzaglijke van dien alverwinnaar, die, lang gestorven, bleef heerschen met een in onze kunst voorbeeldelooze macht, sterk ook buiten het centrum van zijn samenvattend kunstenaarschap, immers als wijsgeerig-ethisch beelder van menschenlot en ideaal, als aestheticus tevens, maar erbinnen, in het muziekgebied zijner scheppende veroveringen de jongeren zóó kluisterend, dat menigeen, vrijheid en zelfstandigheid zoekend, zelfs de natuur ontvlood.

Nu hier te spreken over hem is het recht van dengene die hem door tijd en geestverwantschap het volledigst beleefde. Daarom vroeg ik Hugo Nolthenius. Was 't mij bekend geweest dat hij nog leed aan de gevolgen van een ongeval, ik had het waarschijnlijk nagelaten. Goed dan maar dat ik 't niet wist. Danken wij hem voor zijn woord en wenschen wij hem spoedige volkomene beterschap! v. W.

Hoewel nog niet geheel hersteld van de gevolgen van een beenbreuk, die mij ruim drie maanden aan bed gebonden hielden, kan ik niet nalaten van de gelegenheid mij door den redacteur v. Westrheene daartoe geboden gebruik te maken: en zoo dit jaar den sterfdag van Richard Wagner te herdenken.

13 Februari 1883, dus 40 jaar geleden verliet de kunstenaar ons; „er starb, ein Mensch wie Alle"; zijn 70e jaar, volgens den psalmist het jaar dat we moeten trachten te bereiken, beleefde hij niet; dat zou hemden 22 Mei '83 beschoren zijn geweest.

Wat is er in die 40 jaren op de uitgebreide velden, waarop wij musici ons het liefst bewegen, niet gebeurd! Welke phaenomeenen zijn er niet aan den hemel boven die velden verschenen, welke geluiden hebben we er niet moeten vernemen? Bleef het wel altijd muziek, wat er te hooren kwam? Was al het nieuwe wel aan zuivere bron ontvloeid? Was het wel overal, dat een reine, logische consequentie den auteurs aanleiding was voor het anders gevoelde en geuite dan een normale, natuurlijke evolutie in de wereld der geluiden doet onderstellen?

Ik heb mij niet onttrokken aan de kennismaking met het vele dat na Wagner's dood is ontstaan; dikwijls is dat bepaaldelijk niet voor mijn genoegen geweest, maar te ontkennen valt het zeker niet, dat ook onze kunst voortgaat zich te ontwikkelen, er is een streven naar expansie, en als we maar niet ongedachtig zijn aan het „panta rhei", „alles stroomt", met het daarbij behoorende „alles verandert", dan is het onverstandig te wenschen of te willen dat er een stilstand in wat men voor het goede houdt, zou komen.

Zoo zijn er ook na Wagner geniale toonkunstenaren, om niet te zeggen „genieën", verrezen; aanstonds en dankbaar voor het in zekeren zin nieuwe genot zij het erkend.

Hebben zij kunnen verdringen wat onze helden uit den tijd vóór Wagner ons hebben nagelaten? Zeker ben ik niet de eenige, ruim genoeg van hart en hoofd, om naast het nieuwste ook het oude te kunnen liefhebben en waardeeren.

Wagner nu vormt voor mij een scheidsmuur tusschen dat oude en nieuwe. De hoogheid van het drama, dat voor de schepping er van zoo verbazend veel eischt, maar immers ook zoo veel geeft, onvoorwaardelijk erkennende; van den invloed, den daemonischen, op het audispectatorium voor zijn zedelijke ontwikkeling zeer veel, zoo niet alles verwachtende,

Sluiten