Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

DE VEREEN 1GDE TIJDSCHRIFTEN

rol, maar ook de Orpharion en de Gamba genoten de voorkeur. In dit verband maakt de schrijver gewag van een hoogst zeldzaam boek, waarvan drie exemplaren bekend zijn : een bevindt zich in het Britsche Museum, een in het Koninklijke College voor Muziek te Londen en een in de bibliotheek van den heer Scheurleer te 's-Gravenhage. Het is een bundel liederen van William Leighton, getiteld: „The teares or lamentations of a sorrofvwll sovle; composed with Musicall Ayres and Songs, both for Voyces and diuers Instruments." Heel eigenhardig is de druk-wijze van het boek, waardoor een geheel ensemble in staat was uit een exemplaar te zingen en te spelen. Ten einde er een denkbeeld van te geven zijn tusschen den tekst de facsimile's van een paar pagina's afgedrukt, en een van de liederen, van Dr. Buil, is in gewoon notenschrift er aan toegevoegd.

Aan het slot van zijn beschouwing zegt de schrijver: „wanneer wij nagaan hoe het met de hedendaagsche verpleging van de wonderschoone, op Engelschen en Nederlandschen bodem omstreeks 1600 gegroeide Madrigalen gesteld is, dan komen wij tot de overtuiging, dat wij ons overgeven aan een enghartigheid, die de oude meesters zelf vreemd was. Hoe uitnemend verzorgd de uitvoeringen van onze madrigaalkoren ook zijn, toch geven zij volstrekt geen juiste voorstelling van de composities uit dien kleurlievenden tijd. Aan het recht van de menschelijke stem, aan het streven haar tot een volmaakt instrument te maken mag niet getornd worden. Maar evenmin mogen wij die instrumenten: luit, cembalo, enz. de plaats ontnemen welke hen toekomt, in het concert en in den familiekring, laten wij er aan denken „dass die Substanz der Musik bestehen bleibt, mogen wir sie bestimmen for Viols and Voices, of for Voices alone or as you please".

Berlioz over zichzelf

door

JOS. DE KLERK.

De waarheid van het spreekwoord dat niemand profeet in eigen land is, heeft Berlioz ten overvloede kunnen ondervinden.

Dat men in Frankrijk niet zoo grif het genie erkende in dien vurigen, romantischen autodidact, is trouwens wel eenigzins te verklaren, eensdeels om het verrassend nieuwe en gedurfde dat hij bracht, en anderzijds omdat men niet gelooven kon in de kunst van iemand die meende de muziekgeschiedenis met zichzelf te kunnen beginnen. En zoo Berlioz de vonk van het geniale niet bezeten had, zou voor die achterdocht zeker wat te zeggen geweest zijn, want zijne eerste compositieproeven getuigden maar al te zeer dat hij, wat vakkennis betreft, alleszins te kort schoot, iets wat best te begrijpen is van iemand die op twintigjarigen leeftijd hals over kop componist wil worden en geen geduld heeft om den langen leerweg af te leggen.

Zeker heeft de meester te Parijs al gauw eene schaar enthousiaste vereerders gehad, maar die bestonden, als we Fétis moeten gelooven, uit schilders en dichters, in 't algemeen uit menschen die van muziek niets afwisten. Een zuiver beeld van de algemeene opinie in de Parijsche muzikale middens vinden wij in de eerste uitgave (1835) der „Biographie universelle des Musiciens", van den knappen Belgischen musicoloog, die, hoewel hij Berlioz' verdiensten niet prijst of weet te schatten, toch een oordeel geeft dat van hatelijkheden vrij blijft, en de deur open laat tot latere erkenning. Na hem ten laste gelegd te hebben dat minstens driekwart zijner muziek uit orchestrale effectmiddelen bestaat — die hij echter als vaak gelukkig gevonden roemt, — verwijt hij hem gemis aan metrum en rythme in zijne zeldzame melodieën, en meent te mogen zeggen dat

Sluiten