Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

135

manneke, Wat ben je toch lief, Kleine bengel, Mijn karelke, Onze Jan, De mutsekwast ; op. 27 De klokken luiden; op. 28 Loosdrecht, wat ben je mooi (aan de watersportvereeniging aldaar); opus 31 Zeven kinderliederen: Jongens, wil je het ijzer smeden, In de Mei, Ruitertje Bob, Bimmelebam-ballade, Als 't klokje klingelt, Lappertje lap, Een jongen van Holland; op. 33 Vijf liederen in volkstoon, le reeks: De vlaggen uit, Danslied in Mei, Teunisboer, Ons lied, Boerenkermis; op. 34 Twee liederen: Ik kwam, de handen vol rozen, Nu wil ik stille zijn; op. 39 Drie liederen: Avondgang, Houd zonne in 't hart, Een bloem; op. 40 Drie liederen: Mijn harte gaat er open, Dorinde, Dans, vlinderke, dans. Al de teksten schreef zijn vriend H. W. van der Meij, wien dan ook in die hoedanigheid twee deeltjes zijn opgedragen. Diens dichten schijnt spelen, als 't geen maatschappelijk en vaderlandsch opvoedingswerk is, maar een componist aanvaardt soms als doorvoeld wat men allicht min of meer knap geknutseld verzinsel en namaak vindt; daarin heeft hij misschien gelijk en zeker geluk. Hoe dit zij, Van Oort kreeg ingeving tot allerliefste kinderliedjes, vertrouwelijke, hartelijke, hupsche, grappige, genoeglijke, bekoorlijke, vroolijke, ferme; hij wist boerinnetje met boertje strijkjeswalsen- en polka's te laten dansen, die vooral bij vertooning groot succes op ouderwetsche gezellige familiepartijen zullen hebben en onder het beste zijn dat daar kan dienen; ook slaagde pretmuziek van overgrootvaders tijd; waarlijk niet in gebreke bleef hij wanneer de woorden bezielingstoon vroegen van goedNederlandsche gezindheid; en voor echo's uit het oud-romantisch verleden werdSchumann's geest vaardig over hem, edel in smart en berusting. Het ontwerp is steeds natuurlijk, af en toe spiritueel, en eenig sober experiment een enkele maal misstaat daarbij niet. Al de stukken zijn met sonore stem gezongen en met buigzame

handen gespeeld; ze zullen dergelijke vertolking dankbaar loonen.

Van mevrouw B. Tideman—Wijers, wier opus 1 ik niet ken, kwamen als haar tweede drie kleine declamatoria. Dien wat pathetischen term gebruik ik ongaarne voor teedere, fijne, liefderijke, blij glinsterende klavierillustraties onder het zeggen van Marie Boddaert's Kindersproke, Droomevrouw en Zingeling. Zeer verheugend is het ongezochte der vondsten van poeziebeelden-equivalenten in tonen. Opus 3 doet met vier liederen dikwijls dezelfde zekerheid waarnemen. Ik heb die gemist in de behandeling van Adama van Scheltema's Moed een slecht gekozen hoofdmetrum, zeskwartsmaat voor „O Zon, gij komt mij weer genezen" (met den eersten en den vierden tel op zon en weer) brengt er veel gedwongens waar een groote vrije stroom moet gaan, en ook overigens ontbreekt er meermalen agogische juistheid. Des te beter mocht een gracelijk en kloek musiceeren over Joannes Reddingius' „Wil een rhythmendansje kind" gelukken en aardig karakteriseerde zij 't gewag van een eigen weg door een harmonieruk van c, g naar cis, gis. Bij Reddingius' Eenzaam in duister maakte zij suggestief de regenavondatmosfeer al werd het donker schemerig. En Gezelle's O lied deed zij vol en warm klinken. Ongewone hoedanigheden hebben haar pianowerken opus 5. en 6. Opus 5, Tobafantasie, vertelt van het beroemde meer, dat blijkbaar toen zij 't aanschouwde niet stil-grootsch, wel geheimzinnig maar vooral beweeglijk was ; opus 6. eerst van den vogel beo maar ook van iets anders, dat aanruischend en weldra dreunend en donderend een mediteerend canonisch kweelen tijdelijk verjaagt; dan volgt een Karozang, impromptu met aanvankelijk fugatisch voorgedragen cantilenemotief en rhythmische tegenstelling, interessant, overigens regelmatig gebouwd. Dit zijn effectrijke, zeer „pianistische" stukken. Voorstellingen van tropische natuur geven ze

Sluiten