Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

151

alleen weer, welken grooten indruk Potholt's spel op hern maakte; maar hij geeft tevens aan wat gespeeld werd: variaties, sonates, fuga's, met trillers en arpeggio's. Naar de beschrijving te oordeelen moet Potholt wel in de eerste plaats een groot „virtuoos" op zijn instrument geweest zijn.

Dat men in dien tijd nog wel meer wist wat klokspelen was, blijkt tevens uit een handschrift van Joannes de Gruytters (beiaardier te Antwerpen 1764) bevattende oorspronkelijke en gearrangeerde muziek voor beiaard, dat geëxposeerd was op de Mechelsche Beiaardtentoonstelling (1922).

Waar waren de klokkenisten van de 19e eeuw, die een dergelijk repertoire hadden en die deze muziek op hun beiaard konden vertolken?

De daling in de belangstelling bleek ook wel zeer sterk uit het verminderde aantal bespelingen. Van meerdere malen per dag spelen was geen sprake meer; Zondag-bespelingen, die we voor vroeger tijden vermeld vinden in: Appingedam, Weesp, Deventer, Arnemuiden, Veere, Leiden, Maastricht, Dokkum, Middelburg, Middelstem, Tholen, Kampen, Leeuwarden en Oudewater, kwamen niet meer voor.

Als regel vinden we : bespelen op marktdagen één- of twee-maal per week.

Maar ook komen uitzonderingen voor: Den Briel werd nog slechts éénmaal per maand bespeeld; Maastricht (St. Servaas) alleen op Heilige-dagen; Maastricht (Stadhuis), Weesp en Eindhoven alleen bij bizondere gelegenheden; Amsterdam (alle torens behalve het Paleis) om de drie weken; Appingedam alleen op 1 e PaaschPinkster- en Kerst-dag van 12-—12.15, soms ook op een gewonen Zondag.

Een enkele mooie uitzondering — die echter alleen om de traditie wordt gehandhaafd — moet ik hier vermelden n.m. de Meibespelingen in Gouda, Middelburg, Utrecht en Nijkerk.

In de eerste week van Mei uiten deze

beiaarden in meerdere avondbespelingen hun vreugde over de terugkeer van de lente, een oud gebruik, dat we vroeger ook vonden in Amersfoort op Meiavond (den laatsten avond van April), waar de beiaard zijn vroolijke Meideuntjes speelde terwijl de Meivuren werden ontstoken en waar op eiken Mei-Zondag van 6—7 eveneens klok werd gespeeld; in Oude~ water en in Veere (met de ochtendbespeling van 5—6 op den eersten Mei).

En nu het aantal verstekingen! Als regel geschiedde dit nu — in tegenstelling met vroeger — slechts 1 X per jaar. Maar ook kwam het herhaaldelijk voor, dat twee en vier jaar hetzelfde deuntje het voortgaan der uren aangaf.

F. A. Hoefer — de bekende schrijver van zoovele interessante monografieën over Nederlandsche beiaarden — schreef in 1894 over Hattem: „in de laatste 25 jaar is niet opnieuw verstoken"; Veere wordt om de vier jaar verstoken; in Hilvarenbeek tracht het carillon al jaren achtereen een wijsje — en steeds hetzelfde — te spelen.

In de laatste helft der 19e eeuw vinden we slechts een enkel lichtpunt.

Het is de belangstelling in de beiaarden welke spreekt uit de mededeelingen in het tijdschrift van de Vereeniging voor NoordNederlandsche Muziekgeschiedenis, die door het gloedvolle woord en voorbeeld van Dr. J. P. Heye allerlei wetenswaardigheden omtrent torens, klokkengieters en beiaardiers verzamelde en publiceerde.

Dank zij zijn werk werden enkele grootere herstellingen in deze periode verricht, die althans sommige beiaarden voor algeheelen ondergang wisten te behoeden.

Maar overigens blijkt het verval toch wel over de geheele linie: daling van de belangstelling van het publiek, minder aantal herstellingen of verbeteringen, geen nieuwbouw, minder aantal verstekingen, daling van spelkunst.

Sluiten