Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

153

Nieuwe Boeken.

De goede tooneelspeler moet verliefd zijn op zijn rol, de goede dirigent op het werk, dat hij in studie heeft en de biograaf op zijn held. Anders komt er niets goeds te voorschijn. Aldus schrijft R. S. T. Hoffmann in een Weensch blad naar aanleiding van Ernst Decsey's biographie van den walskoning Johann Strauss, een boek dat verschenen is te Berlijn (Deutsche Verlagsanstalt vereinigt mit Schuster & Loefler).

Over Strauss waren reeds eenige goede werken verschenen, juiste, zakelijke, kritische. Maar nog geen verliefde. Die ■— zegt Hoffmann .— kunnen slechts geschreven worden door hem die in Strauss Weenen bemint, het Weenerdom dat in Strauss zijn volmaaktsten, zijn beminnelijksten, zijn de geheele wereld fascineerenden vertegenwoordiger bezit. Zoo gelogen als het mooie blauwe van de Donau mag zijn, in de Wals van Strauss is het waar; zoo oppervlakkig als de bewoners mogen zijn, in de wals van Strauss wordt hun bierkneipfilosofie „Mann lebt nur einmal" een ethisch feit.

Uit deze periode, uit dit Weenen, dat nog humor kende, uit deze levensgeschiedenis, uit dezen tijd, die cultuur van de traditie en traditie van de cultuur bezat, heeft Decsey met dichterliefde en fijnheid een pakkend schilderij gemaakt waaruit de geniaalste hoofdpersoon tot spreken te voorschijn treedt. Decsey's kunst van schrijven heeft reeds het „ Wienerische"; hier is het Weensche tempo, het temperament, het bekoorlijke, het mousseerende; dit boek bezit het onweerstaanbare elan van een wals van Strauss. En het heeft tevens een zekere gemakkelijkheid, een beetje dat laisser-aller, hetwelk in het werk van Strauss immers ook te vinden is, in zijn operettesbijvoorbeeld, die naast stukken van de beste, fijnste inspiratie, ook al te gemakkelijke, slordige momenten bevatten.

Doch het schaadt het boek volstrekt niet, want het hoort er zoo bij.

Niet correct doch charmant, niet didactisch doch betooverend; een Strauss-biographie, zooals men haar niet congenialer en sympathieker denken kan. De glans van de zon die voor Weenen ondergaat, groet het beeld van den Walstoovenaar, de laatste en blijvende personificatie van een levensvreugde, die zoover verwijderd was van het moeras waarin gezelschap, zaken, schuifdansen en operette thans, met een soort welbehagen bovendien, rondwentelen.

IIIIIIIIIIIII!INI!IIII!II!II!II!!I!IIII!!I!!I1I!!IIIIIIIIIII!II!I!III[|||||I1I!I!U!IIIIIIII]||||^

De muziek van E. Th. A. Hoffmann.

Het mag merkwaardig heeten, dat, terwijl de belangstelling voor den dichter Hoffmann in de laatste jaren sterk toegenomen is, er nog geen muziekhistoricus eens iets voor Hoffmann's composities gedaan heeft. Eigenlijk heeft alleen Hans Pfltzner als bewerker en uitgever van de opera Undine, iets bijgedragen tot de verspreiding van Hoffmann's muziek.

Een veelbelovend begin is nu echter met het uitgeven van eenige werken van den romantischen dichter-componist gemaakt. Dr. Erwin Kroll maakt melding van het verschijnen van het eerste deel van een volledige uitgave van Hoffmann's composities, verzorgd door den heer Becking, die privaat-docent te Erlangen is. Dit deel (uitgave van Siegel's Musikalienhandlung te Leipzig) bevat de vier overgebleven Sonaten voor piano.

In de voorrede spreekt de geschoolde, de gezaghebbende muziekhistoricus, die eigenaardigheden van Hoffmann's stijl heel juist in verband te brengen weet met de muzikale smaak van des dichters tijd. Uit deze Sonates leert men, volgens Becking opnieuw zien, dat in Hoffmann van den beginne af aan, een contrapunctist leefde, tegelijk met een lyrische, Zuidelijke sympathieën koesterende melodieschrijver.

Sluiten