Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

156

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

zijn gevoelsweergaaf onmogelijk maken. Ook zijn krachtig talent als melodist kan zich zoo niet gezond openbaren. Daarom is zijn werk alleen dan aesthetisch onberispelijk, wanneer een onaantastbare vorm (variatie, fuga, koraalbehandeling) hem dwang oplegt: met zijn rijke vinding en zijn emintenten polyphoniegeest wist hij, tot beperking genoopt, juist genoeg nieuws en verrassends te geven. Daarentegen is in zijn kleine stukken en zijn liederen het opzettelijk vermijden van natuurlijkheid dikwijls zelfs beleedigend. Bovendien stompt het voortdurend spillen der sterkste middelen van uitdrukking hun werking spoedig af, en zoo komt ons ook het overrijke ten slotte voor als hinderlijk stereotype manier.

Nu, wat voor ons daarvan is, en van den dionysischen chaos, waarover Walter Niemann het heeft in duizend synoniemen, moesten wij toch eens kunnen gewaarworden, maar ook nog iets anders.

Contrapuntgewemel, wie laat er zich nog door imponeeren? Het is heel ongunstig, voldoet immers allicht niet aan de tegenwoordige subtiliteits- en doorschijnendheidsleus. Harmoniewaaghalzerij — maar dan toch binnen den tonaliteitskring waarvan Riemann zelf de wijdte heeft gewezen —, modulatiebontheid, uitdrukkingsmiddelenverkwisting ... wel, wij zijn atonale, polytonale, van a tot z op alle mogelijke manieren dissoneerende muziek gewend. Wij luisteren door 't bezwaarlijk te vernieuwen, niet meer verrassende „nieuwe geluid" heen, en, ontdekken wij niets er achter, dan is de som van onze waarderingen om en bij nul. Intusschen blijft het modernst apparaat nog wenschelijk voor succes: wie 't niet gebruikt, lijkt fossiel, of erger: van gisteren. Misschien vindt men Reger al achterlijk. En, hoe dat zij, men zal stellig zijn muziek niet om overlading te hoog schatten, eer om soberheid te laag.

Werkelijk was in onzen tijd zelden een

componist van beteekenis zoo dikwijls eenvoudig als hij. Soms is dat eenvoudige slechts een kleine middelenhoeveelheid, bijvoorbeeld in zijn koraalcantates, waar strijkkwartet of twee violen of een viool en een hobo de protestantsche kerkmelodie, beurtelings gemeente-koor en solistenzang, bij de verschillende strofen telkens anders illustreeren met het ook als een complex van louter zelfstandige stemmen behandeld orgel, en het contrapunteerende partijental enorm wordt — ik houd ondanks eenige zeer expressieve deelen er niet veel van en heb jaren geleden minder uit behoefte dan omdat ze merkwaardig en mij dunkt kennenswaard zijn er een paar gegeven. Maar hij schreef behalve de sonatines, die, hoewel niet voor gewone kinderen, toch eenigermate schoollitteratuur zijn, en de Schlichte Weisen, heel wat gemakkelijke pianostukken en a cappella-koren. Daarvan werd naar ik meen ten onzent haast niets gehoord. En dat beruchte gecompliceerde, heeft men ons dat ook nagenoeg bespaard? Als ik mijn concertherinneringen naga, schijnt het mij wel zoo.

Mengelberg bood eerst de Serenade voor een strijkerscorps met en een zonder sourdines. Ik heb toen dat beminnelijke, dwepende, moedwillige, vermakelijke tusschenin aandoenlijke beginhoofdstuk, dat luchtig fantastische, half droef vragend eindigende vivace, dat teeder en warm andante met clausules van Grieg-charme dat misschien wat lange maar onder veel afwisseling sterk stroomende slotallegro met blijdschap genoten om joviale geestigheid, verteedering van het meermalen terugkeerende proloog- en epiloogthema, midzomerromantiek van het geheel. Veel later kwam hij met de Hiller-variaties, die het experiment over de twee soorten van strijkorkestklank herhalen. Het genoeglijke wijsje tipte glimlachend aan en verdween om te verschijnen in zijn talrijke metamorfoserollen. Men kon het soms volledig herkennen soms alleen aan een paar op-

Sluiten