Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

behoorlijke levensbeschrijving van dien machtigen Vlaming, vindt waardeeringsgebrek, meent (zeker tot onze verbazing) dat geen werk van den componist der Rubens-cantate zoo populair is als Tinel's Franciscus, en acht zijn betrekkelijk gering succes op het tooneel een gevolg van de zwakheid der librette met te weinig liefdemotieven. De redactie publiceert een aardigen brief dien Tinei in 1877 tusschen 't werken aan zijn prix de Rome-cantate Klokke Roelant aan zijn broer heeft geschreven. L. Uten leidt verklaringen van den aard der moderne muziek in. Verder wordt iets over Turina verteld. Chesqiere beoordeelt den vierden en vijfden bundel van de liederenverzameling De Vlaamsche Zanger. Dan wordt aandacht gevestigd op 't heropenen der sinds den oorlog gesloten Wilford-School, een Vlaamsche muziekonderwijsinrichting te Brussel. Een aan Benoit gewijd warm Huideliedje met refrein heeft C. D. voor compositie bestemd. Het Secretariaat van het Willemsfonds (Gent, Vrijdagmarkt 22) verzoekt inzending van liederen tot samenstelling van een 34ste reeks vóór 15 Juni, „met aanduiding van stem doch zonder naam van dichter of componist." In de Besprekingen wordt Moortgat's uitgaaf Geestelijke Liederkrans IV geestdriftig geprezen ; sober S. Lonque's eerste concert voor altviool. In Het hoekje van den Beiaardier verneemt men het een en ander over Hoei's vernieuwden beiaard, dien Denijn, Nels en Levevere den 8sten Juli zullen doen klinken.

Archiv fiir Masikwissenschaft. Het orgaan van 't Bückeburgsche muziekwetenschapinstituut Jaargang 5, No. 2 brengt het zeer uitvoerige derde stuk der studie van Hans Mersmann Grundlagen einer musikalischen Volksliedforschung, een met veel vergeleken voorbeelden getoond, soms bijna chemisch maar ook historisch en aesthetisch onderzoek naar melodieën-ver¬

anderlijkheid en bestendigheid, waarbij „wetten" van ontwikkeling worden opgespoord. Robert Lachmann geeft een gedocumenteerd artikel, Die Musik in den tunisischen Stadten, resultaten vooral van waarnemingen in den oorlog: hij liet als tolk Afrikaansche gevangenen musiceeren, kwam allerlei van een theoreticus onder hen te weten en hielp een menigte fonogrammen maken. Over toepassingen van het Arabische kwarttonenstelsel, aanwending eener tweede versierende melodiepartij, tromrhythmen „magramen-modellen" (tonaliteit-aanduidende praeludia), volkslied en kunstlied bericht hij heel wat interessants ; de meegedeelde wijzen zullen allicht den niet-deskundigen lezer tegenvallen. Erich Schumann behandelt: Die Förderung der Musikwissenschaft durch die akustischpsychologische Forschung Carl Stumpf's en karakteriseert der grooten denker en proefnemer voortreffelijk, maar had dan ook niet mogen spreken van diens verheugend opruimen der dualisten: Stumpf toch bevestigt met zijn versmeltingstheorie juist dat een niet bestaan van ondertonen tegenover de boventonen allerminst belet het mol-accoord te houden voor een naar beneden gerichte concordantie. De noviteitenkritiek roemt Elizabeth Mincoft-Marriage's uitgaaf der Souterliedekens (Een Nederlandsch Psalmboek van 1540) en verschaft gelegenheid om te wijzen op werken van Stamitz, Boccherini, Rigel en J. G. Naumann, verschenen bij Bernoulli; Gesange der babylonischen Juden, zum ersten Male gesammelt, erlautert und herausgegeben von A. Z. Idelsohn, Sammelbande für vergleichende Musikwissenschaft (Stumpf en von Hornbostel) waarin ook opstellen van Land zijn herdrukt; Denkmaler der Tonkunst in Osterreich jaargang 29, met Monteverdi's II ritorno d'Ulisse, twaalf toccata's en 72 versetti van Muffat, en het slot van Smijers' geschiedenis der Keizerlijke hofkapel; Hermann Erpf, Entwicklungszüge in der Zeit-

Sluiten