Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

211

Het interessante is, dat hiermee op een kleine uitzondering na de vorm die Beethoven later voor zijn Sonate Pathétique gebruiken zou, gevonden is. Een schema van beide eerste deelen zal dit duidelijk maken.

Haydn: Introductie. — Expositie. — Doorwerking met motieven uit de inleiding. — Reprise, — Introductie. — Coda op thema I.

Beethoven: Introductie. — Expositie. — (paar maten uit de introductie). •— Doorwerking met motieven uit de inleiding. — Reprise. — Introductie. — Coda op thema I.

Merkwaardig is Haydn's voorliefde voor majeur toonaarden, van zijn 74 bekende symphonieën zijn slechts 12 in mineur gecomponeerd. Ook mag wel opgemerkt worden, dat het eigenlijk karakteristieke gebruik der mineur toonaarden eerst van Beethoven en Schubert dateert. Bij Mozart en Haydn is mineur een effectje in haar verhouding tot majeur, niet een karakteristieke stemming. Over een symphonie in mineur ligt dezelfde zonneglans die van een majeur symphonie afstraalt.

De orchestbezetting is bij Haydn aanvankelijk zeer eenvoudig, zijn 12 eerste symphonieën hebben de volgende bezetting:

le en 2e violen, alten, cellen, 2 hobo's 2 hoorns. Een zoo geringe bezetting heeft Mozart slechts één keer gebruikt, nl. in zijn eerste symphonie op 8-jarigen leeftijd geschreven.

In zijn tweede symphonie voert Mozart voor het eerst het menuet in, evenwel zonder trio (de eerste symphonie was nog in den vorm der Italiaansche ouverture geschreven). Deze tweede symphonie op 11-jarigen leeftijd te Londen geschreven is merkwaardig, doordat haar bezetting met twee klarinetten is uitgebreid. Dit is te danken aan het feit dat het Londensche orchest deze instrumenten bezat, wat bij de orchesten van het continent nog niet het geval was. Mozart heeft ze vóór 1778

niet weer kunnen voorschrijven. Men ziet hier uit, hoezeer de componist in die dagen rekening moest houden met het orchest dat zijn werken zou uitvoeren. (Slot volgt).

iimnntifiiiiniiHiiiHiiiiiiiiiitiiiifitniHiuiitiiflinniiiii HiintHnnfii i ihu rimnn iihiiihiiii i iih im nmiiH itiHffimnnia

Klokspelen en Klokkenspellen in Nederland

door

M. A. BRANDTS BUYS.

(Slot). IV. Toekomst.

Heeft het beiaardspel een toekomst?

Ik aarzel niet deze vraag met een : „zeer zeker" te beantwoorden.

In vroeger jaren is het ontegenzeggelijk een factor van beteekenis geweest in het muzikale leven en er zijn gegronde redenen om te vermoeden, dat het dit in de toekomst ook weer zal kunnen worden.

Weliswaar waren onze voorouders eenvoudiger, naïver, minder-veeleischend in hunne muzikale verlangens dan onze tijdgenooten; maar de mogelijkheid — en er zijn meerdere symptomen, die erop wijzen, dat deze mogelijkheid geenszins denkbeeldig is — bestaat, dat een komend geslacht in eenvoudigheid en minder-veeleischendheid het van het onze zal winnen.

En niet alleen voor dat nieuwe geslacht zal de beiaard weer grootere beteekenis krijgen, ook nu zijn er reeds meerderen, die van het beiaardspel een schoonheidssensatie kunnen ontvangen, die in hare primitiefheid toch zeker niet minder van waarde is dan welke andere muzikale sensatie ook.

Evenwel zal men het gewenschte resultaat alleen kunnen verkrijgen, wanneer er klokkenisten komen, die zich op één lijn kunnen stellen met de groote mannen van vroeger. En deze beiaardiers zullen tevens moeten kunnen beschikken over behoorlijk onderhouden en dus: bespeelbare instrumenten.

Waar er met recht kan gesproken worden

Sluiten