Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

213

En zoo is ook weer die geheele strijd over „oud"- en „nieuw-systeem" een bijzaak, die ons belet te komen tot de hoofdzaak : dat men in België klok kan spelen en hier-vrijwel-nog-niet.

Wil men komen tot grootere virtuositeit op het instrument, dan zal men noodgedwongen de klepels dichter bij den klokwand moeten brengen en de diepslag van de toetsen moeten verminderen. Dit is een waarheid, die zelfs een oppervlakkig toeschouwer kan onderschrijven.

Wat men in België bereikt heeft is ook hier te bereiken en zóó is aan ons volk terug te geven een eenvoudig muzikaal genot, dat juist in zijn primitieve eerlijkheid verre staat boven het — in vele gevallen — opgeschroefde concertzaalgedoe.

Maar dan zal men moeten doorgaan met het afleggen van verwaande eigenwijsheid en volkomen eerlijk durven te bekennen, dat de Vlamingen ons hierin de baas zijn.

Dan zullen we hen hier moeten noodigen om ons op de instrumenten waarop zij thuis zijn voor te spelen en dan zullen we dóór de dingen heen die ons vreemd zijn en — misschien — hinderen, moeten hooren, het vele waardoor zij hun meesterschap toonen. We zullen van hen moeten leeren en naar hun voorbeeld zullen we een Beiaardschool moeten oprichten, welke de mannen zal vormen die in de toekomst het Nederlandsche volk van zijn schoone beiaarden zal doen genieten.

Wil het opnieuw veroverde terrein behouden blijven, dan zullen de Nederlandsche klokkenvrienden schouder aan schouder moeten staan en krachtiger dan tot nu toe moeten werken om de belangstelling van de burgerij te vergrooten, de spelkwaliteiten te verbeteren, op grondig onderhoud van de spellen blijven aandringen.

En het komt mij in dit belang gewenscht voor, dat de klokkenvrienden zeer nadrukkelijk ondersteunen de voorstellen die ik,

als afgevaardigde van de Nederlandsche Regeering naar het Mechelsche Beiaardcongres, aan het verslag aan Zijne Excellentie den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen mocht toevoegen en die ik hieronder laat volgen:

I. De Nederlandsche Regeering geve in overweging aan betrekkelijke autoriteiten om bij het doen bouwen van nieuwe klokketorens kennis te nemen van de eischen, die door beiaard-kenners worden gesteld aan dergelijke torens en met die eischen zooveelmogelijk rekening te houden.

II. De Nederlandsche Regeering verleene eene subsidie aan die steden, welke een nader te bepalen aantal avond-beiaard-concerten per jaar doen geven.

III. De Nederlandsche Regeering stelle eene subsidie in uitzicht aan die vereeniging of commissie, welke een Nederlandsche Beiaardschool naar het Mechelsche voorbeeld wenscht in te richten; of wel aan het conservatorium voor muziek of de muziekschool, die een dergelijke beiaardklasse wenscht te openen.

IV. De Nederlandsche Regeering geve aan de betrekkelijke autoriteiten te kennen, dat de beiaardklavieren in goeden staat moeten worden gebracht en gehouden en tevens, dat het „versteken" der ton minstens éénmaal per jaar moet geschieden.

V. De Nederlandsche Regeering wijze eene commissie aan, die zal hebben voor te bereiden, en eventueel te leiden, een tweede congres voor beiaardkunst en daaraan verbonden tentoonstelling, in een nader te bepalen plaats in Nederland en verleene aan die commissie eene subsidie.

In verband met dit laatste punt wil ik nog iets zeggen.

Voor het verder opwekken van de belangstelling is een congres en tentoonstelling, als hierboven bedoeld, van de grootste beteekenis. Het Mechelsche congres toonde ons de noodzakelijkheid om op een volgend congres te behandelen op

Sluiten