Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

216

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

listen wier namen reeds weer vergeten zijn.

Voorts lees ik bij den heer Dresden: „Als een violist de harmonie van Beethoven's vioolsonaten heeft bestudeerd, zal hem die zonder meer ook in de piano- of cellosonaten van dezen meester duidelijk worden. Als een pianist Chopin's werken harmonisch heeft doorgewerkt, zal hij later als accompagnateur ook gemakkelijk harmonieën in een lied kunnen ontleden. Kent een zanger het harmonische verband in een lied van Strauss of een fragment van Wagner, dan zal hij zonder inspanning in Liszt's harmonieën kunnen doordringen."

Juist, geachte heer Dresden. Maar dan is ook uw eisch om over te gaan „tot splitsing der harmonische analyse voor elk vak" totaal overbodig. Dan is harm. analyse fout courr voldoende voor iedereen. Ge hebt met deze bewering uw eigen uitspraak verloochend.

De heer Dresden licht dan nog uitvoerig toe het nut, ja de noodzakelijkheid van het ontwikkelen van het gehoor, het toepassen van zoowel harmonische- als vormanalyse, het begrip van toonaard en tonaliteit, de beteekenis en de plaats binnen den toonaard van elk der accoorden" en nog vele andere dingen meer. Ik zeg het u na, geachte Heer Dresden; al deze raadgevingen zijn kostbaar maar .... overbodig. Dat is nu met recht „enfoncer une porte ouverte."

Wat gij daar hebt uiteengezet willen wij allen. Doch in mijn stuk ging het niet om hetgeen u wilt toepassen bij het harmonie-onderwijs, maar om hetgeen u er uit wilt v e r w ij d e r e n.

Naar mijn meening moeten alle muziekstudeerenden, om het even welk vak zij beoefenen, zich een zekere mate van algemeene muzikale ontwikkeling eigen maken. Er moet een grond worden gelegd, waarop eventueel later kan worden voortgebouwd. Nog nooit heeft iemand spijt gehad om hetgeen hij heeft geleerd,

wèl om hetgeen hij heeft verzuimd te leeren. In de maatschappij zal het den mensch ook gemakkelijker vallen carrière te maken als hij een H. B. S. of een Mulo heeft doorloopen, dan wanneer zijn schoolkennis zich slechts beperkt tot het hoogst noodige lezen, schrijven en rekenen. Tot het niveau van muzikale ontwikkeling reken ik, behalve al hetgeen de heer Dresden heeft opgesomd, pianospel en practische toepassing van de harmonieleer zoowel schriftelijk als op de piano.

De heer Dresden heeft in zijn uitvoerig stuk nog veel meer te berde gebracht. Het zijn echter punten van ondergeschikt belang, waarop ik thans niet behoef in te gaan.

Nadrukkelijk wil ik nu nog verklaren dat ik overtuigd ben, ook met dit stuk den heer Dresden niet „tot inkeer" te hebben gebracht. Na zijne uiteenzettingen in het Juni-nummer meende ik echter dit artikel niet in de pen te moeten houden. Ik ben er nu zeker van dat het referaat van het Hbld., waarop ik mijn eerste stuk heb gebaseerd, in hoofdzaak volkomen juist was, en dus de heer Dresden werkelijk de meeningen toegedaan is, die daarin werden geuit. Voor mij is deze zaak nu volkomen tot klaarheid gebracht.

Antwoord aan den Heer Ant. Averkamp.

De heer Averkamp blijft bij zijne meening dat schriftelijk uitwerken van harmonie-opgaven uoor alle leerlingen noodig is; ook het harmoniseeren van gegeven stemmen aan de piano.

Ik kan hem zijne overtuiging niet ontnemen; hij blijve dus bij het beproefde recept.

Eigenlijk wist ik dit reeds vóór het schrijven van het breedsprakerige artikel, want het uitgangspunt van den heer Averkamp is geheel verschillend van het mijne. Hij hecht blijkbaar meer dan ik aan kennis, schoolwijsheid, en vindt het niet noodig van tijd tot tijd grondige verandering in

Sluiten