Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

222

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

feesten te zien heeft. Het wordt wel vriendelijk in de wereld!

Aan de Staats-opera te Berlijn is het ook hommeles geweest; de dirigent Leo Blech, die „Generalmusikdirector" en bij het publiek zeer gezien en in trek is, heeft zijn ontslag genomen, wat men algemeen betreurd heeft; vrijwel alle couranten hebben met zeldzame eenstemmigheid hun leedwezen over het vertrek van Blech te kennen gegeven. Blech is heengegaan omdat hij meende, dat hem van hoogerhand stelselmatig de leiding van groote werken onthouden werd sedert de laatste jaren, de leiding van werken die hem in zijn rang van Generalmusikdirector toekwamen, zooals stukken van Wagner: Tristan und Isolde en Die Meistersinger von Nurnberg.

Misschien zullen wij ons in het volgende seizoen van de artistieke prestaties van de Berlijnsche Opera met eigen oogen kunnen overtuigen; want Cornelis Bronsgeest, de voorname kunstenaar, die aan de Nationale Opera heelemaal niet op zijn plaats was, is weer naar Berlijn teruggekeerd en heeft de toestemming gekregen om in het komende winterseizoen met de solisten, het koor en het orkest van de Staats-opera naar Nederland te reizen, om daar een zestal voorstellingen te geven: twee te Amsterdam, twee te Rotterdam en twee te 's-Gravenhage. Geheel op eigen risico durft Bronsgeest het niet aan; hij vraagt een, voor zoo een groote onderneming betrekkelijk klein garantie-fonds; lukt het dat bij elkaar te brengen dan zullen wij voorstellingen van Figaro's Hochzeit en van Schilling's Mona-Lisa te zien krijgen, naar ik durf te gelooven op een manier zooals wij het niet gewend zijn; mijn herinneringen aan de Berlijnsche Opera zijn ten minste van dien aard, dat ik iets buitengewoon goeds meen te mogen voorspellen.

Eigenaardig en voor ons buitenstaanders niet goed te begrijpen is het, dat het aantal muziekfeesten in Duitschland grooter is dan ooit tevoren, dat men er feesten op touw zet als verkeerde het land in een toestand van den schoonsten bloei. Bijna iedere stad van beteekenis heeft zijn muziekfeest en het zijn altijd feesten van een opzet die fameus genoemd mag worden. Berlijn heeft zelfs een „Oostenrijksche Week" gehad, een week van een

aantal geheel aan de moderne Oostenrijksche muziek gewijde uitvoeringen. Het muziekfeest van den „Deutschen Allgemeinen Musikverein" heeft dit keer te Cassel plaats gevonden; men reist thans niet voor zijn genoegen naar die streken * en vandaar dat ik dit jaar het feest maar eens niet meegemaakt heb. Ik geloof niet dat het een groot verlies voor me beteekend heeft, ten minste de Duitsche critici hebben vrijwel eenstemmig toegegeven, dat de artistieke winst van de concerten te Cassel bitter klein geweest is.

Met storm, regen en hagelbuien, als was het November, is het seizoen te Scheveningen begonnen. Prof. Schneevoigt was aanwezig om met het Residentieorkest voor een feestelijke opening te zorgen; daarna is Schneevoigt weerweggegaan, omdat hij in het buitenland nog een paar concerten dirigeeren moest. Gedurende zijn afwezigheid — die trouwens een week geduurd heeft, — is Dr. P. van Anrooy als leider opgetreden en men heeft — welk een verrassing! — ook Alexander Schmuller als orkestbestuurder leeren kennen, gedurende het Vrijdagavond-concert op 22 Juni. Voor de pauze heeft Schmuller toen het Viool-concert van Tsjaikofski gespeeld; na de pauze stond hij voor het orkest om de vierde symphonie van den Russischen componist, zijn landgenoot te dirigeeren.

Eenparig verklaren de couranten dat Schmuller het er uitstekend afgebracht heeft, vooral wanneer men bedenkt dat hem de gelegenheid om een orkest te besturen zoo zelden geboden wordt.

Aan het Conservatorium te Amsterdam waren dit jaar, zooals gewoonlijk, weer een stuk of wat candidaten voor een „Prix d'excellence"; als jurylid fungeerde o.a. Willem Kes, die voor deze gelegenheid uit Coblenz overgekomen was. Een verslaggever van de Telegraaf achtte dit een schoone gelegenheid om Kes eens te gaan intervieuwen, hem eens te gaan vragen hoe hij, Kes, nu eigenlijk over het muziekleven in Nederland denkt. Miserabel. Het onderwijs op onze conservatoria is jammerlijk slecht, de „doorsnee"leerling weet niets van muziekgeschiedenis, niets van harmonie, van oude sleutels, niets van literatuur en niets van cultuur. Ook zijn wij hopeloos achter, gaat alles hier op sloffen; wij weten geen lor van de modernen...

Sluiten