Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Langs het portaal komt men aan de plek, waar tot in het laatste derde deel van de vorige eeuw het oude alumnaat van de Thomaskerk stond, waar eeuwen lang de beste jonge zangers voor het Thomaskoor opgeleid werden. En slaat de wandelaar dan het smalle straatje aan de Zuidzijde van de kerk in, dan voert hem zijn weg naar het standbeeld van Johann Sebastiaan Bach, dat daar, vlak naast den kerkmuur, door de meesterhand van Car/ Seffner vervaardigd, de herinnering aan den geweldigsten geest der Protestantsche kerk sinds Luther, aan den stichter van den wereldroem dezer Thomaskerk, ook naar het uiterlijk, levendig houdt. Fier staat daar de groote cantor in feestelijk gewaad, op het hoofd de allongepruik, in de rechterhand een muziek-manuscript, de linkerhand uitgestrekt, als zocht zij de toetsen. Voor dit standbeeld staat de vreemdeling zeker geruimen tijd stil. Want in den man, dien het voorstelt, vindt men alles belichaamd, wat Leipzigs wereldroep als muziekstad deed ontstaan.

II.

Zeven eeuwen — slechts een druppel in de zee van den tijd en der wereldgebeurtenissen, maar welk een groote spanne tijds in het leven van menschen en staten! Deze Thomaskerk heeft nog het geschiedenistijdperk beleefd, toen het Saksische land de Oostgrens van het oude heilige Roomsche rijk op Duitsch gebied was, van waar uit men een Westelijke cultuur trachtte te verbreiden. En was niet de beoefening der kerkelijke muziek een der fierste kenteekenen van deze cultuur ? Zoo is het te verklaren, dat men in Leipzig, zoodra de stad ook maar eenigszins veilig was tegen invallen uit het Oosten, bij het klooster van den Heiligen Thomas, dat reeds in de 13e eeuw gebouwd was, een alumnaat stichtte, waar kerkzangers werden opgeleid, die uitgekozen waren, om kerkelijke muziek naar de eischen der kunst in het land te

verbreiden. Reeds in dezen overouden, katholieken tijd, werd de opleiding van deze jonge zangers aan een „cantor" toevertrouwd ; en deze instelling bleef bestaan ook toen in 1539 de reformatie in Leipzig haar intocht hield, en kort daarna, in 1543, de Raad van de stad Leipzig de kloosterschool onder stedelijk beheer nam. Van dien tijd af is dus het ambt van Thomascantor een stedelijk leeraarsambt, en niet een kerkelijke betrekking. In zoover bestond er echter een nauw verband tusschen de Thomasschool en de kerk, dat elke Thomascantor verplicht was, de diensten van muziekdirekteur aan de stedelijke hoofdkerken, de Thomaskerk en de Nicolaikerk, waar te nemen. Als koor in de muziekoefeningen in deze kerken, werd uitsluitend het koor van het school-alumnaat gebruikt. De leden van dit koor hadden in het alumnaat vrije woning en vrij onderhoud, en ontvingen naast een grondige muzikale opleiding een niet minder grondige humanistische opvoeding. Deze voorrechten zijn tot op den huidigen dag bewaard gebleven. Nu nog zijn in een groot, luchtig gebouw aan de Hillerstraat (die naar een bekend Thomascantor genoemd is) zestig jonge zangers gehuisvest, en slechts een groot schoolplein scheidt dit gebouw van het stedelijk Thomas-gymnasium, waar de zangers, gemeenschappelijk met het groote aantal externe leerlingen, hun humanistische opvoeding ontvangen.

III.

Toen op 5 Juni 1722 de Thomascantor Johann Kuhnau, die nu nog bekend is door zijn bescheiden klaviersonatines, en de zeer belangrijke „Biblische Historiën" voor klavier, de eeuwige rust inging, stond de betrekking van Thomascantor te Leipzig reeds in geheel Duitschland in buitengewoon hoog aanzien. Een reeks van de meest beteekenende musici dongen naar de eer, Kuhnau te mogen opvolgen: Johann Friedrich Fasch, de hofkapelmeester van

Sluiten