Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

sterke natuurlijkheid eigen is, en Van Gilse, die wel iets van Reger heeft maar noch de wisselende vlagen van contrapunt- en modulatiebuitensporigheid noch het letterkundig rudimentaire. Smulders en Anna Lambrechts—Vos, interessante figuren, verloren wij wat uit het oog. Wij hebben blijkbaar ook gewezen componisten: Loman, den veelzijdigen uitvinder, theoreticus, kunstbezorger ten tijde van Het lyrisch Tooneel, die na Hannele's Hemelvaart auteursrechtbelangen behartigt, Van Anrooy, ongeëvenaard succesoogster met de Piet Hein-Rhapsodie, populair ook door zijn twee kindercantates, gewaardeerd om een vioolballade, meer, of later, om 'thoog te schatten Humperdinck-pendant zijner illustraties bij Das Kalte Herz (die hij voor Duitschland maakte gelijk Landré bij Lioba), maar door 't herscheppen afgebracht van het scheppen, evenals de slechts op verzoek en dan voor officieele nationale feesten schrijvende Mengelberg. Produceeren bleef de tweede concertgebouw-dirigent Dopper, het best niet met ontdekkersallures in vreemde paeanen maar met frissche kleuren van inheemsche landelijkheid, die Kees Andriessen ook wel eens heeft gegeven. Een prettig stadstafreel is er van Kuiler: overigens onderhoudt hij nabloei van kleine halfoude Duitsche romantiek; eveneens de novellistische Carl Oberstadt en een veel jongere, Marius Kerrebyn, die 't orkest beminnelijk sprookjes liet vertellen. Conservatieven van dergelijk geloof bedienen 't mannenkoor, zoo Wettig Weissenborn, Roeske, Wierts, Olman. De gemengde liederenzanggezelschappen (en de soms in bundels der Koorvereeniging mee bedachte vrouwenkoren) hebben nogal verscheidenheid: voor hen schreven ook wel G. von Brucken Fock, Cornelie van Oosterzee, Garms, Anna Lambrechts—Vos, Landré, M. A. Brandts Buys Jr. Het gewone mannenkoorrepertoire, met onbegrijpelijke leemte van een Leon C. Bouman herinnering, kan doen haken naar wat anders, dat men in A. B. H. Verhey's en H. van Nieuwenhoven's bijdragen te weinig aantreft en misschien meer van Zwolsman mag hopen, maar hier wordt de van nature stabiele, dus ook door 't socialisme van O. de Nobel niet gewijzigde volkstrant genaderd, waarin Spoel, Wierts en de hoofdzakelijk, niet uitsluitend, voor 't Roomsche gezin werkende Hamers bekende sololiederenspeciali-

teiten zijn, en den van diepere gemoedelijkheid verpoozenden H. C. van Oort tot gezelschap kregen. Voor de gereformeerde volkskoren zorgt het ijverigst Pijlman ; de katholieke kerkkoren — welk een sprong I — danken vooral veel aan J. A. G. van Schaik, raadgevingen maar ook de talrijke zangen die niet zooals zijn Joseph en Dothan-reien een andere bestemming hebben.

De groote koor- en orkestwerken, die ten onzent in de laatste vijfentwintig jaren uit de portefeuilles kwamen, zijn zeer schaarsch. Gedrukt en vertolkt werden G. von Brucken Fock's door ongelijkheden van waarde verdeeld oratorium De Wederkomst van Christus en Jan van Gilse's veel meer homogene Lebensmesse; gehoor kreeg ook een Missa Solemnis waartoe de gezonde maar door concerteeren en lesgeven overschaduwde compositiekracht van Willem Andriessen in den oorlog opwies; later liet een ad hoe bijeengebracht koor den organist van der Horst met een mis debuteeren.

Kamermuziek (er bij passende liederen en pianostukken incluis) verscheen minder sporadisch en vormt een wel niet lange reeks maar een die van streng retrospectieven gelijk Kersbergen en Hendriks (tevens orgelcomponisten) en Elisabeth Kuyper over meer eclectischen gelijk Amory tot de modernen doorloopt. Als voorname tusschenfiguren kent men Michielsen (door pianostukken en liederen) Henriëtte van Heukelom—van den Brandeler (door liederen); als begaafde jongeren die hun denkelijk niet evenwijdige richtingen nog duidelijker moeten aanwijzen Henriëtte van Lennep, Bernard Wagenaar, Dina Appeldoorn, Enthoven, Mendes; als krachtige, niet revolutionaire maar zonder partijzin vooruitstrevende persoonlijkheid Schafer, wiens heerlijk strijkkwartet één en al ontroerende zielsuiting is. Mij gaf hij met dat eene werk meer dan ik verwerven kon van alle modernisten.

Hun Nederlandsche bentgenooten zijn .— van den vele jaren genaturaliseerden, als een der onzen geldenden Otto Lies, die langzamerhand in hun vaarwater kwam tot Willem Pijper, die vreugde schenkend naar zijn mahlerachtige maar dan ook nog zeer verheugende symphonie gestevend het roer ineens omwierp .— in dit overzicht niet te beschouwen. Men kan wel

Sluiten