Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

267

componeerd heeft. In den supplementcatalogus van Köchel, waarin alle onvoltooide werken en stukken aan wier echtheid getwijfeld wordt genoteerd zijn, wordt als nummer 221 opgegeven een symphonie, waarvan slechts fragmenten bekend zijn; volgens anderen waren er tot dusverre geen „fragmenten" doch slechts een veertigtal maten van het begin bekend. In ieder geval heel weinig dus.

Thans is het volledige handschrift gevonden door Prof. Guido Adler (de naam van dezen muziekgeleerde is er borg voor dat deze vondst werkelijk iets beteekent) in de bibliotheek van het klooster Lambach van de Benedictijnen nabij Weenen. Op verzoek van den professor was het muziekarchief van het klooster in bruikleen afgestaan aan het Instituut voor Muziekgeschiedenis te Weenen. Bij het bezichtigen en bestudeeren van de belangrijke collectie is het manuscript voor den dag gekomen. Aan de echtheid kan niet getwijfeld worden; men heeft reden om te gelooven, dat er nauwe betrekkingen bestaan hebben tusschen het klooster en het huis Mozart; in het klooster-archief bevinden zich ten minste ook de handschriften van twaalf symphonieën van Mozart's vader, Leopold Mozart en het lijkt waarschijnlijk dat deze ook het handschrift van zijn zoon aan het klooster ten geschenke gegeven heeft. Het werk blijkt geschreven te zijn voor twee hoboes, twee hoorns en strijkkwartet.

Het feit dat dit werk gevonden is in de bibliotheek van een klooster, doet de vraag stellen — zegt het Handelsblad — of hier misschien sprake is van een werk voor kerkelijk doel geschreven. In Mozart's tijd heerschte immers in sommige Katholieke kerken nog het oud gebruik, tijdens de Mis een instrumentaal stuk uit te voeren en Mozart heeft inderdaad een aantal van zulke kerksonates geschreven, die men langen tijd ten onrechte voor orgel-sonates heeft aangezien. De bisschop Heronymus

verbood het uitvoeren van dergelijke muziekstukken en daarmee was de aanleiding om ze te schrijven verdwenen, Evenwel is het niet onmogelijk dat de gewoonte in enkele bisdommen nog stand hield; of de symphonie moet voor 1771 geschreven zijn. Natuurlijk zullen wij binnenkort wel nadere bijzonderheden vernemen.

Men zal zich herinneren, dat bij gelegenheid van den 75sten geboortedag van Theodoor Verheij in dit blad gesproken is van 'scomponisten opera „Imilda" die in de dagen van de Hoog-Duitsche Opera te Rotterdam een succes-stuk geweest is, en dat toen de vraag gesteld is of het niet wenschelijk zou zijn om dit werk nog eens te vertoonen. En dat zal gebeuren. Den twaalfden November zal in den Grooten Schouwburg te Rotterdam een voorstelling van Imilda gegeven worden en naar het zich laat aanzien een goede ook. Want Urlus zal medewerken en de beroemde zangeres Gabriele Englerth van de Opera te Munchen en Johan Mergelkamp benevens een vijftig leden van het Residentie-orkest, alles onder leiding van Henk van den Berg. Voor den ouden componist zal het stellig een feestavond worden.

Hoe het muziekseizoen te Berlijn gaan zal verklaart ook de hoofdredacteur van „Die Signale für die musikalische Welt", Professor Chop niet te begrijpen. Want de prijzen die men voor het huren van een zaal, voor reclame, voor de medewerking van een orkest betalen moet zijn zoo waanzinnig hoog geworden dat men zich afvraagt, wie nog de moed hebben zal om een concert aan te kondigen, temeer omdat er op veel belangstelling van de zijde van het publiek ternauwernood meer te rekenen valt in verband met de gestadig toenemende verarming van alle standen. Bij het concert dat Lamond dezer dagen gegeven heeft — een Beethovenavond nog wel — was de zaal nauwelijks half bezet, terwijl men vroeger, wanneer

Sluiten