Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

269

Z.Ex. voor Staatsexamens niets voelde, heeft het Bestuur der N. T. V. de zaak zelf te hand genomen, examens ingesteld, nemen ieder jaar een groot aantal candidaten hieraan deel en is het peil van onderwijsgeven daardoor belangrijk verhoogd, maar desniettegenstaande blijft het geknoei lustig hoogtij vieren. Dat niet alleen de belangen der onderwijs-gevenden hierdoor schade lijden, maar de kunst hieronder gebukt gaat en muziek van het allerminste allooi wordt „onderwezen", behoeft geen betoog.

De meesten onzer leden zullen zeggen: „wij hebben er geen hinder van, laat ze maar tollen". Deze meening deel ik niet, want al mogen wij er dan persoonlijk geen financieel of ander nadeel van ondervinden, toch zijn er, die ons ter harte gaan, en die er zeer zeker de nadeelige gevolgen van ondervinden. Door verschillende leden toch, zijn er meer of minder leerlingen opgeleid voor het diploma der N. T. V., en waar die dat diploma verwierven, hebben zij daarmede bewezen les te kannen geven. Maar hoe dikwijls ondervinden deze jonge menschen het grootste nadeel en onrechtvaardige concurrentie van hen die onbevoegd en onkundig zijn om les te geven. Voor hen kunnen wij bij bestrijding van deze beunhazen veel doen en hen, die wij bestrijden, wellicht tot nadenken brengen om zich aan behoorlijke studie en voorbereiding voor het diploma als bevoegde te onderwerpen.

Door den Voorzitter der N. T. V. is op de laatste vergadering te Utrecht gesproken over leven, kracht en nieuw licht, dat in de toekomst van de N. T. V. moet uitgaan, en waar door den Heer Tiggers uit Amersfoort op deze vergadering mede naar aanleiding van een reeks artikelen in „Euphonia" over het geknoei op muzickonderwijsgebied van schrijver dezes, hetzelfde onderwerp werd ter sprake gebracht, geloof ik, dat de N. T. V. welke uit vooraanstaande musici bestaat, in deze veel

kan doen en veel kracht van haar kan uitgaan. Maar Bestuur en leden moeten deze zaak flink aanpakken en doorzetten. Wat men door samenwerking kan verkrijgen heeft de Nederl. Organisten Vereeniging in de laatste jaren bewezen met haar „salarisactie", en door taaie volharding van de „commissie van onderzoek" kan zij op heel wat resultaten bogen.

Bestaat er niet eene Vereeniging tegen de kwakzalverij, en helpen pers en autoriteiten niet ten allen tijde mede om dit euvel te bestrijden? Waarom zou onze N. T. V. dan tegen deze muzikale ? kwakzalvers geen stelling kunnen nemen? In dit opzicht kan er dan leven en kracht van de N. T. V. uitgaan, kan zij meer doen dan vergaderen en examens afnemen, kan zij meer zijn dan een „zieken- en ondersteuningsfonds". Dat ik niet overdrijf met „muziekleeraar" als „toevlucht voor behoeftigen", mogen de twee volgende staaltjes (twee uit de honderdtallen) bewijzen: In Januari 1923 komt een jonge man bij mij met het verzoek hem les te geven, hij wil zich voorbereiden voor het diploma der N. T. V. Het volgende krijg ik ten gehoore: „Ik ben kantoorbediende en kreeg 15 December 1.1. van mijn patroon ontslag; gelukkig kan ik wat orgel spelen en ga nu maar lesgeven." Ik heb hem 3 maanden op proef aangenomen en het bleek, dat hij heel muzikaal was. Edoch, voor de 3 maanden om waren, had ik al heel wat gemopperd, dat hij slecht studeerde en op die manier niet met hem wenschte voort te gaan, en daar kwam de aap uit de mouw. In die 3 maanden had hij meer dan 50 (zegge vijftig) leerlingen gekregen, en had geen tijd meer over om te studeeren. Natuurlijk gaf ik hem zijn ontslag; twee maanden daarna was hij getrouwd en het leger der knoeiers weer met één vermeerderd. Deze „leeraar" geeft ook pianoles, maar speelt zelf geen étude van Lemoine fatsoenlijk af.

Het tweede geval: een mijner leerlingen,

Sluiten