Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

had plaats in Schubert's laatste levensjaren, en zoo was het dezen nog slechts gegeven, met weinige liederen het nieuwe tijdperk in te wijden, dat ook voor de muzikale vertolking met Heine zou beginnen, en dat door de twee meest beteekenende liederen-componisten na Schubert— Mendelssohn en Schumann — maar vooral door den laatsten, op afdoende wijze voortgezet werd.

Dat de aan stemming rijke, in een klein cader geconcentreerde lyriek van Heine's gedichten Schubert's kunstenaars-individualiteit aantrok, kan met grond worden aangenomen, en hoe getrouw cle componist den dichter naschildert en het in de woorden soms meer aangestipte dan uitgesprokene ook muzikaal in eene wazige schemering hult, bewijzen de liederen: Ihr Bild, Die Stadt en het door onvolledige, in onduidelijke diepte zich bewegende accoorden begeleide lied Der Doppelo-linger. Ook hier is het weder in de allereerste plaats de karakteristieke klavierbegeleiding, die aan het muziekstuk de rechte stemming verleent en de beteekenis van den zang verhoogt. Wat de liederen van Eellstab en G. Seidl's die ïaubenpost betreft, zoowel de vroolijke daaronder, als die sombere toondichten, waarin Schubert zulke dieptreffende snaren wist aan te slaan, als men vóór noch na hem hoorde weerklinken, behooren tot zijne beste inspiratiën en zoo behoudt zijn Schwanengesang, wat aantrekkelijkheid van melodie en rijkdom van vinding betreft, een gelijken rang met de vermelde liederen-bundels.

Midden tussehen de hier besproken liederen-verzamelingen ligt een rijke schat van gezangen van den meest onderscheiden aard , vol schoone melcdiën, vol dramatiesch leven, uitmuntende door oorspronkelijkheid van muzikale opvatting en met die slagvaardige beslistheid in het leven getoover'd, welke Schubert's lied-compositiën karakteriseert en haar den diepen indruk bij zijne hoorders verzekert.

Het aantal door den druk verspreide liederen van Schubert beloopt thans omstreeks drie honderd en zestig. Hij heelt echter, gelijk reeds is opgemerkt, niet minder dan omtrent zes honderd liederen geschreven die deels in handschrift, deels in afschrift zijn bewaard gebleven.

Onder de gedrukte liederen zijn er (trouwens weinige), waarvan het niet verschijnen door de vereerders van Schubert's muze niet zeer betreurd zou behoeven te worden. Aan den anderen kant is het weder een onloochenbaar feit, dat menig kleinood , waardig om het daglicht te zien, nog in het verborgen ligt 1 en de dankbare taak der bezitters van nog onuitgegeven liederen zal dus zijn, na zorgvuldige schifting, de besten daarvan voor het groote publiek toegankelijk te maken -.

1 Zon zijn o. a. de uitgave waardig de in 1815 gecomponeerde, nog in handschrift liggende balladen, voorts Hagar's Klage, Der jüngling und der Tod , Ihr G r a b, D i e Sterbende, TSglieh zu sin gen, Daphne am Bach, Vollend ung, Mein Frieden, Amn enlied, Es traurnen die Wolken, Italienische Canzone, Wallfahrtslied (Lunz), enz. Hier moet ook weiden opgemerkt, dat in het verloop dezer ehronologieseh geordende bespreking al die compositiën niet konden worden vermeld, waarvan het niet zeker is op te geven wanneer zijgeschreven zijn. Onder de deswege ver/.wegene behoort o. a. die Schlaeht van Schiller, een in breede afmetingen aangelegd, onvoltooid gebleven zangstuk met klavier begeleiding, bestaande uit een voorspel in marschkarakter, recitative» en koor, welk laatste bij de woorden »Was blitz da" en aAch du Fraiiz, Galt bef'ohlen Victoria" invalt. De zangpartij is niet volledig uitgeschreven; de marsen is dezelfde als in Schubert's Marches héroitjues zonder trio (op. 27). De compositie (handset rift van Schubert) bezit vrijheer .los. von Spaun te Weenen.

2 In de laatste jaren zijn in den muziekhandel van Spina verschillende \an Schubert's zangstukken in druk verschenen.

Na Schubert hebben twee meesters van den eersten rang zich met vooringenomenheid tot het lied gewend en op dit gebied, dat men reeds afgesloten beschouwde , nieuwe wegen geopend.

Het lied van Mendelssohn en clat van Schubert vertoont zich, gelijk de andere werken van beide meesters, in vorm en inhoud zoo volstrekt verschillende clat voor eene vergelijking van beiden bijna geen punt van uitgang te vinden is. Het fraai gevormde, edel gevoelde, van een volksthümlich waas overtogen lied van Mendelssohn draagt steeds het zuiver lyrische karakter en beweegt zichin zekere vormen, waarvan cle hoofdtrekken zeer dikwijls terugkeeren. Schubert's muze daarentegen verlaat, waaide situatie het eischt, cle lyrische grondtype en eigent, zich epische en dramatische elementen toe; doch in rijkdom van melodische vinding, in verscheidenheid van vorm en uitdrukking verheft zij zich zoover boven het Mendelssohnsche lied als over het geheel Schubert's rijke individualiteit het wel buitengewoon beschaafde en harmoniesch heldere, maar ook door eenzijdigheid gestempelde en tot een bescheidener materiaal beperkte kunstenaarskarakter van Mendelssohn bepaald overtreft

Anders is de verhouding tot Bobert Schumann, die,, van de compositie voor het klavier plotseling tot het lied overgegaan, in onafgebroken volgorde een groot aantal gezangen voortbracht en zich ontegenzeggelijk de meest geniale, rijkstbegaafde opvolger van Schubert toonde.. Hij sloeg inderdaad nieuwe, nog niet gehoorde toonen aan, en vermocht daardoor aan alle phasen van het gemoedsleven, van het eenvoudig naïve, van het vrolijk-, humoristische en zacht bewogene tot het demonieschwilde, cliep pathetische en somber woelende, eene geestrijke uitdrukking te geven. Declamatie, rhythrnus en harmonische rijkdom in cle begeleiding treden in zijne liederen ten krachtigste op den voorgrond. Terwijl echter bij Schubert het zwaartepunt steeds in de melodie ligt, zoekt Schumann tegen zijne minder rijke vindingskracht het streven naar karakteristike uitdrukking te doen opwegen. Neemt men cle elementen, met welke Schumann als scheppend kunstenaar in deze richting opgetreden is, elk op zich zeiven, dan kan er sprake zijn van vooruitgang van het lied na Schubert; maar geenszins wanneer men op cle totaliteit en het innerlijkste wezen van het lied het oog vestigt. Eene klimming in deze muzieksoort heeft sedert Schubert evenmin plaats gehad, als in de symphonie sinds Beethoven. Want niemand vermocht gelijk Schubert, de stemmingen, het leven en de handeling van een gedicht met zoo hartbewegende, levenskrachtige, melodiën te belichamen, bij geen componist is de overeenstemming van woord en toon zoo ongedwongen, zoo rijk en toch weder zoo beheerschend als bij hem. Zijn lied zweeft, als met adelaarsvlucht, onmiddellijk hoog in de lucht en in die vrijheid van allen aardschen druk, in de ligtheid en kristalheldere klaarheid zijner toongestalten ligt — ook tegenover Schumann's liederen — zijne onoverwinnelijke kracht 2.

1 Daarentegen zijn de vierstemmige liederen: Lied er i rh Freien zu sin gen eene eigenaardige en heerlijke vrucht van het beminnelijk, fijngevoelend kunstenaarsgemoed van Mendelssohn,, wiens, naar Handel en Bach gevormde, koortechniek en in het kleine met zoo fijnen tact ordenende hand zich hier een rijk veld voor vruchtbare werkzaamheid opende. In deze koorliederen bereikte hij eene verscheidenheid van uitdrukking, zooals hij in. geene andere muzieksoort aan den dag legt.

2 Zie Debrois van Bruyk's Robert S ch u mann («Stimmen. der Zeil", 1857.)

Sluiten