Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 October 1871.

Acht en Twintigste Jaargang. Ho. 20.

CAECILIA.

ALGEMEEN MUZIKAAL TIJDSCHRIFT VAN NEDERLAND.

UITGEGEVEN ONDER GEREGELDE MEDEWERKING VAN

W. P. Gr. NICOLAÏ, EICHAED HOL, JOH. BASTIAANS, J. C. BOERS, ED. DE HAETOG, Prof. W. MOLL, Prof. A. D. LOMAN, Mr. J. C. M. VAN RIEMSDIJK, Mr. J. N. VAN HALL, G. A. HELNZE, M. A. BEANDTS BUTS, J. B. LITZAU, DAVID KONING en anderen.

De uitgave geschiedt op den len en 15en van iedere maand bij MABTIBtUS BÏIJHOFF te 's Gravenhage, aan wien men alle stukken de redactie en de uitgave betreffende gelieve te adrcsseeren. Prijs f 1.50, fr. p. p. f 1.65 per kwartaal. Men abonneert zich voor den geheelen jaargang. Advertentiën worden berekend tegen 12% cent den regel, groote letters naar plaatsruimte.

Voor het loopende jaar (te beginnen met 1" Mei), kan men zich abonneeren voor fik.—, fr. p. p. ƒ4.40.

Inhoud. Een Voorbericht. — Beoordeelingen: Richard Hol, Op. 55 en 58. — S. de Lange, Op. 6. — H. Scholtz, Op. 20. — A. Rubenson, Suite.— Th. Vaas, Op. 4 en 5. — P. Kleinert, Sechs Kriegslieder. — Temper Itris. — E. Gregoir, Op. 140 en 143. — Berichten. — Leekegedachten door Fantasio. II. — Correspondentie.

EEN VOOEBEEICHT. i

Daar de literarische nalatenschap van beroemde musici gewoonlijk eerst na hun dood verzameld en uitgegeven wordt, zou ik mij, nu ik mijne geschriften in het geheel uitgeef, wel in de eerste plaats behooren te verdedigen "tegen het verwijt, dat ik nog leef. Want wat bij die vereeuwigde meesters , als een blijk van verschuldigden eerbied voor hunne nagedachtenis, welwillend werd opgenomen, zou mij licht tot eene daad van bloote ij delheid kunnen aangerekend worden. Dien gelukkigen dooden was het om het even wat men van hunne literarische aanteekeningen dacht, maar voor mij is het van groot belang, dat het publiek op de mijne ernstig het oog vestigt. Dat kan ik moeilijk ontkennen. Hij nu, die meent in deze bekentenis de erkenning van dé zwakheid mijner literarische voortbrengselen te moeten lezen, mag zijn gevoelen vrij voor het ware houden. Immers, wanneer mijne muzikale werken en mijne geschriften ten slotte niet duidelijk voor en uit zich zelve spreken, de eersten door juiste en zorgvuldige uitvoeringen, de laatsten door dat zij behoorlijk begrepen worden, dan komt het er toch niet veel op aan, of men mijne zwakheid in eerstgenoemden of in laatstgenoemden meent te moeten vinden.

Aan het lot moet ik het overlaten, of het den buitengewonen bemoeiingen van belangstellenden en vrienden zal gelukken, mijne muzikale werken door voortdurend zorgvuldige uitvoeringen waarlijk in het hart der natie

1 Wij achten het voor onze lezers niet van belang ontbloot hun mede te deelen het voorwoord dat Richard W a g n e r heeft doen voorafgaan aan de gezamenlijke uitgave zijner werken in proza en poëzie, die gedurende de jaren 1871, 72 en 73 in 9 deelen bij Fritzsch te Leipzig zal verschijnen.

te doen leven. Maar aan den anderen kant geloof ik deze bemoeiingen te ondersteunen, wanneer ik er voor zorg, dat ten minste mijne literarische werken het groote voorrecht, dat aan alle letterkundige voortbrengselen gemeen is, deelen, om zich nl. in een helder en doorzichtig gewaad aan de oogen van het publiek te vertoonen. Eene aanleiding hiertoe mocht ik ook vinden in de steeds ernstiger wordende deelneming voor mijne geschriften over kunst. Hoezeer mij dit verschijnsel ook verheugde, moest ik toch aan den anderen kant het nadeel er van inzien, dat ik met deze werken niet in eene zorgvuldig berekende volgorde, maar in zeer verschillende tijden en omstandigheden voor het publiek getreden ben. Daar nu echter zelfs de meest uiteenloopende en verschillende aanleidingen toch altijd slechts dat eene denkbeeld in mij deden ontwaken, dat den grondslag uitmaakt van mijn gezamenlijken letterkundigen arbeid , hoe verspreid die ook zijn moge, gevoelde ik hier behoefte aan eene nauwkeurig gerangschikte uitgave van al mijne aanteekeningen, waarvan velen geheel onbekend gebleven zijn, de meesten echter altijd nog maar zijn opgevat in den zin van dagbladschrijverij of van eene sbrochure."

Het verlangen, mijne geschriften tot zulk een geheel te vereenigen, gaf mij wederom aanleiding tot eene eenigzins psychologische methode voor de rangschikking mijner opstellen, die ten doel heeft, het den belangstellenden lezer duidelijk te maken, hoe ik er toegekomen ben de baan van schrijver te betreden. Wanneer het waar is, dat alleen eene nauwkeurige opteekening van mijn geheele leven dit punt in het volle licht kan plaatsen, dan heb ik nu toch het voordeel van eene chronologische volgorde, waarin mijne opstellen volgens den tijd van hun ontstaan den lezer voorgelegd worden. Hierdoor mocht ik ook een standpunt bereiken, dat mij op eene milde behandeling voor den rechterstoel onzer kunst-filosofen en dichters van beroep doet hopen.

Aan den eenen kant nl. ontkwam ik aan de verzoeking, om mijne hier en daar verspreide werken over kunst zoo te rangschikken, dat zij den schijn van een wetenschappelijk systeem hadden kunnen dragen ; immers dat zouden onze aesthetici van beroep licht als eene onbeschaamdheid gebrandmerkt hebben.

Aan den anderen kant had ik nu gelegenheid, daar ik mijne gezamenlijke geschriften eenigzins als dagboek

Sluiten