Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

behandelde, mijne dichterlijke werken op die plaatsen in te lasschen, waar zij in mijne biografie zouden thuis behooren. Immers, had ik ze in plaats hiervan in een afzonderlijk deel verzameld, dan had ik licht de verachting en de ergernis van onze dichters van professie opgewekt, en mij het verwijt op den hals gehaald, dat ik »operateksten" op eene lijn gesteld had met zulke dichtwerken, waarin de muziek door een levendigen dialoog en eene keurige dictie vervangen wordt, zooals eens bij eene opvoering van de »Dame blanche" heeft plaats gehad. Voor welken kring van lezers zal ik nu met deze verzameling mijner werken treden ? l)ie vraag is voor mij van het grootste gewicht ter beoordeeling zoowel van mijn kunstenaarsarbeid 'als van de elementen , die zich in het tegenwoordige stadium onzer duitsche beschaving doen gelden. Men is begonnen mijne geschriften ernstig op te vatten in een kring, waar niets in waarlijk ernstigen zin opgevat wordt, nl. in de sfeer onzer belletrie, die zich den schijn van wetenschappelijk streven geeft, in eene omgeving, waarin filosofie, natuurvorsching, filologie, en vooral ook poëzie op zoogenaamd geestige wijze behandeld worden, behalve wanneer er, voor ons onbegrijpelijke, gronden zijn, om den een of ander, of het een of ander onbepaald te prijzen. Ik heb bemerkt, dat dit systeem van weiwillenden laster gebaseerd is op de als waar aangenomen meening, dat de besproken boeken en geschriften niet dooiden criticus gelezen worden. Daarentegen hebben diegenen zich tot het ernstig bestudeer en mijner literarische werken aangetrokken gevoeld, op wie mijne dramatische composities bij hare opvoering grooten indruk gemaakt hadden. En onder dezen waren er vele, die niet begrijpen konden, waarom ik opstellen over mijne kunst schreef, daar ik toch veel beter zou doen, met mij tot mijne loopbaan van scheppend kunstenaar te bepalen. Eerst in den laatsten tijd heb ik vele, en voornamelijk jonge mannen, leeren kennen, die ook begrepen, waarom ik over mijne kunst schreef. Zij hadden nl. in mijne geschriften eene betere toelichting gevonden van de vraagstukken, waartoe mijne kunstwerken aanleiding geven, dan in de uitspraken van hen, die zelve niets in de kunst kunnen voortbrengen. Bedoelde personen belijden het geloof, dat hij, die verstand van iets heeft, daarover ook het best'kan spreken , b. v. dat iemand, die goed kan dirigeeren, ook het best anderen kan leeren dirigeeren.

Nu zou het wel zoo verstandig zijn, wanneer het oordeelen over de kunst de taak werd van hen, die begrip hebben van de kunst, terwijl men, door den zonderlingen toestand van den tegenwoordigen vooruitgang onzer beschaving, nu integendeel tot de meening gekomen is, dat het oordeel over eene zaak noodzakelijk van eene geheel andere zijde moet komen, als de zaak zelve, b. v. uit het «absolute verstand", of ook uit het »denken, dat voor zich zelf denkt". Hiertoe vond men eene analogie in de inrichting onzer moderne staten, daar de politieke ontwikkeling het met zich mede heeft gebracht, dat een staatsman de gevolgen zijner handelingen moet rechtvaardigen voor personen, die vroeger niet eens wisten, dat die handelingen mogelijk waren, en dat hij zijne genomen maatregelen moet onderwerpen aan het oordeel van rechters, wien eerst bij zulke gelegenheden duidelijk gemaakt moet worden, waarover dan toch eigenlijk gesproken wordt. Wanneer het nu, zooals in dit geval, de muziek geldt, van welke ieder zijn persoonlijken indruk, soms den allerplatsten krijgt (de schrijver Gützkow zelfs meestal een zeer onfatsoenlijken) , dan moet men wel begrijpen, dat er van het

»oordeel" van iemand, die geen verstand van de kunst heeft, geene sprake kan zijn, en dan moet men of de muziek geheel en al uit de rij der kunsten schrappen, of toegeven, dat zij juist eerst daardoor tot eene kunst wordt, dat alleen personen, die kennis van muziek hebben, haar als eene kunst behandelen.

Mijzelven deed het dikwijls leed, en stemde het tot bitterheid, over mijne kunst te moeten schrijven, terwijl ik zoo gaarne gezien had, dat anderen dit deden. Eindelijk geraakte ik aan deze noodzakelijkheid gewoon, omdat ik leerde begrijpen, waarom anderen datgene niet konden zeggen, wat juist in mij leefde. En zoo werd het mij in verloop van tijd ook altijd duidelijker, dat cle inzichten, die ik gedurende mijn werken in de kunst gekregen had, eene diepere beteekenis hadden, dan men aan de individualiteit van een kunstenaar mag toeschrijven, die voor het publiek raadselachtig is. Langs dezen weg ben ik tot de mesning gekomen, dat het punt, waarop het hier eigenlijk aankomt, de wedergeboorte der kunst is, die wij nu slechts als eene schaduw der eigenlijke kunst kennen, en die geheel verdwenen is uit het werkelijke leven, waarin zij nog slechts in enkele populaire overblijfselen te vinden is. Maar wie een hoopvol gezichtspunt wil verkrijgen op de verbeteringen, die op dit gebied mogelijk zijn, verbeteringen aan den duitschen geest voorbehouden, en wie dat wil doen aan de hand van iemand, wien deze dingen duidelijk zijn geworden, niet gedreven door abstracte speculatie, maar door den drang eener behoefte, die hij als kunstenaar gevoelde, — die zal, vertrouw ik, zich er niet over beklagen met mij , die paden betreden te hebben , die mij tot dat standpunt geleid hebben. Om hem te gemoet te komen, heb ik alle mijne geschriften van welken aard ook, in deze gezamenlijke uitgave zoo gerangschikt , dat hij mij kan volgen naar alle zijden mijner ontwikkeling. Het zal hem dan duidelijk worden, dat hij niet te doen heeft met den gezamenlijken arbeid van een schrijver, maar met het los opgeteekende resultaat van de werkzaamheid eens kunstenaars , die in zijne kunst zelve zijn levens bestemming gezocht heeft. Dit leven nu heet »de ware muziek" die ik als de eenige echte kunst, zoowel van onzen tegenwoordigen tijd, als van de toekomst, erken, want zij zal ons de wetten voor de waarachtige kunst wedergeven. Dit is hare bestemming, en dat zal iedereen mij moeten toegeven zoodra hij die muziek, die tegenwoordig zulk eene groote macht op alle gemoederen uitoefent, vergelijkt met den invloed onzer hedendaagsche literatuurpoëzie, ja zelfs der beeldende kunst. Laatstgenoemde toch kan nog maar alleen op vreemden leest geschoeid eene plaats in onze zoo diep gezonken moderne maatschappij vinden. In het door de muziek verheerlijkt drama daarentegen zal het volk eenmaal zich zelf en elke kunst veredeld en verfraaid weder vinden.

Dit zij mijn groet aan den vriendelijken lezer !

BEOORDEELINGEN. Richard Hol, op. 55. De Oranjevaan, gedicht van H. Binger, voor mannenstemmen, solo en koor, met begeleiding van koperinstrumenten. Amsterdam bij Th. Roothaan en Co., 1869. Prijs: Partituur en klavieruittreksel ƒ1.60. Stemmen ƒ0.80. De meeste nieuwigheden onzer muziek-literatuur komen zonder twijfel op het gebied der mannenkoren voor, en prijken dikwijls met de namen der beste nederlandsche kunstenaars waarvan vele de schoonste vruchten

Sluiten