Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

497

van beiden een sbis" werd verlangd, waaraan mej. Weyringer voldeed door cle herhaling van het wondervolle lied »freudvoll und leidvoll", dat zij overheerlijk en wegslepend zong.

Gaf de uitvoering der sinfonie, de Eroïca, reeds groot genot (vooral de hoornisten verdienen een bijzonder woord van lof), niet minder belangwekkend was het, de drie Leonore-Ouvertures in bijna onmiddellijke opvolging te hooren, en zoodoende een inzicht te verkrijgen in den verbazenden rijkdom van Beethoven's scheppingsvermogen, dat zich telkens meer in het onderwerp verdiept, en eindelijk een reuzenwerk voortbrengt (Leonore no. 3), zooals er tot nu geen tweede gewrocht is.

Het verschijnsel, dat Beethoven met niet één van die prachtwerken als voorspel voor zijne eenige opera voldaan geweest is, er altijd eigenschappen in heeft meenen te ontdekken, die hem. voorkwamen, niet waardig genoeg te zijn voor het ernstig-verheven karakter van zijne dramatische schepping, en hij zoo eene tweede, eene derde, eindelijk eene vierde ouverture — die

in E-dur — heeft geschreven dat is een feit,

misschien wel zonder voorbeeld in eenige kunst. Daarom willen wij even een vluchtigen blik werpen op de geschiedenis van het ontstaan der 4 ouvertures tot Beethoven's »Fidelio".

Beethoven wijdde zich gedurende cle jaren 1804 en 1805 bijna uitsluitend aan cle compositie zijner opera «Leonore", en schreef, toen het werk gereed was, de eerste ouverture. die na den dood van den grooten meester, met den titel sOuverture caractéristique , oeuvre posthume", als op. 138 werd uitgegeven. Vóór de opvoering zijner opera liet Beethoven de ouverture voor eene uitgelezen schaar van' muziekkenners in de woning van vorst Liehnowsky uitvoeren ; het auditorium vond het werk te klein van stijl voor het verheven dramatische karakter der opera. De componist onderwierp zich aan dat oordeel, trok zijn werk terug, en schreef de tweede ouverture. De eerste ontleent ook wel, evenals cle tweede en derde, een motief uit de opera, nl. het thema van Florestan's aria, en zelfs in een lang uitgesponnen bewerking, maar verschilt toch in karakter geheel van hare drie opvolgers. De tweede ouverture nam het motief der tenor-aria sin des Lebens Frühlingstagen", en het trompetsignaal bij de aankomst van den minister, in zich op.

Met dit werk als prélude werd »Leonore" nu den 20 November 1805 in het Theater an der WTien te Weenen opgevoerd. Men weet met welken uitslag: de opera viel zoo radikaal, als ooit een opera gevallen is. Beethoven zat alleen aan zijne lessenaar in het orkest, het hoofd in de handen, terwijl tegen het eind der laatste acte de zaal bijna geheel leegliep. Onze lezers kennen het lijden en het verdriet, dat het onvolprezen werk aan zijn' schepper gekost heeft; wij zullen daar dus niet langer over uitwijden. Nog tweemaal werd de opera opgevoerd, en toen in de lessenaar van den componist weggesloten. Ook de ouverture, die nog een paar malen op concerten werd uitgevoerd, liet het publiek koud, en moest cle heftigste uitvallen deikritiek aanhooren, die zich vooral aan het »Posthornsolo" ergerde. Een klein jaar later werd de Leonore, bijna in alle nommers bekort en omgewerkt, en van verscheiden nommers geheel ontdaan, weer opgevoerd, het was den 29 Maart 1806, en wel met de derde ouverture. De uitslag was nu echter niet gunstiger. Het werk werd nog tweemaal, de laatste keer den 10 April gegeven, en — was op nieuw gevallen. De derde

ouverture, die, t e zamen met de tweede, eerst lang na Beethoven's dood werd uitgevoerd, is eene omwerking van de tweede, waardoor het werk ontegenzeggelijk aan kracht, geslotenheid en e ffect heeft gewonnen. Het thema van Florestan's aria komt nu slechts voorbijgaande éénmaal in cle inleiding voor ; de lange middelsatz, de doorwerking, is geheel omgewerkt ook is aan dit werk het reusachtige Presto, dat het sluit, toegevoegd. Wanneer men aan cle eerste ouverture wellicht als voorspel voor de opera den voorkeur wil geven , dan zal men in de derde cle meest grootsche en machtige schildering van het drama zelf bewonderen en liefhebben. Dat daargelaten , bekleedt deze ouverture als sinfoniesch werk eene allereerste plaats, meer dan hare voorgangers en haar opvolger. Nu bleef het werk tot 1814 rusten; wie weet, of Beethoven ooit aan eene wederopvoering gedacht had? De inspecteurs der weensclie hofopera kozen Beethoven's opera echter voer hunne benefice-voorstelling; de achting, de bewondering en de liefde vo;-r den componist hadden gedurende die acht jaren hun toppunt bereikt. De groote meester wilde nu zijne schepping echter nogmaals verbeteren, de tekst werd eenigszins veranderd, en de componist schreef, onder verscheiden nieuwe nommers, ook nog do vierde ouverture in E-dur; de drie eerste staan, zooals bekend is, allen in C-dur. Deze derde bewerking van cle opera werd nu, naar Beethoven's wensch, »Fidelio" genoemd, den 23 Mei 1814 in het Karntherthor-theater te Weenen opgevoerd , en behaalde ditmaal eindelijk een schitterend succes. Het werk baande zich in korten tijd een weg tot al de tooneelen van Duitschland, zelfs tot Parijs en Londen. Bij die eerste opvoering in 1814 ging de derde ouverture aan de opera vooraf; de tweede was toen nog niet gereed, zij opende echter de tweede voorstelling. Nu wordt, zooals algemeen bekend is, cle derde Leonore-ouverture in Duitschland altijd tussehen de twee bedrijven van Fidelio gespeeld; de vierde ouverture heeft den naam van Fidelio-ouverture behouden, en gaat als zoodanig altijd aan het werk vooraf.

— Gounod's Faust is steeds — en terecht — een lieveling van ons publiek. Dat bewees de eivolle zaal bij de voorstelling van Zaterdag 18 Nov. opnieuw. Wij hebben echter het hooggeschatte werk dikwijls beter op ons tooneel gehoord, clan genoemden avond. De heer Faivret, fort ténor, dien wij voor het eerst hoorden, heeft een ongunstigen indruk op ons gemaakt. De stem is zwak, en bezit weinig klank, cle zanger zingt voortdurend met inspanning, cle noten, die maar eenigzins hoog liggen, klinken onzeker en onzuiver; het valt hem moeilijk, wanneer hij die eenmaal getroffen heeft, ze vast te houden. Even onbeduidend en onbezield als de zang, is het spel. Het uiterlijk en de houding van den acteur maken een treurigen indruk op den toeschouwer. Was cle heer Faivret Zaterdagavond wellicht ongesteld ? Hij was zulk een erg ziekelijke Fausl , veel te sentimenteel, zelfs voor deze sentimenteel-lyrische partij , en meende er, wat het spel betreft, mede te kunnen volstaan, door eene contemplatief-elegische houding aan te nemen, die hem, met eene enkele uitzondering, den geheelen avond niet verliet.

Mevrouw Derasse was eene uiterst lyrische Margnerite; juist cle »Marguei ite " van cle opera, die niet éen familietrek heeft met de »Gretchen" van de tragedie. Jammer, dat zij voortdurend slecht toon hield; deze eigenschap, waartegen wij de talentvolle zangeres niet genoeg kunnen waarschuwen, was ons, toen wij haar onlangs in de »Dame blanche" hoorden, niet opgevallen ; nu echter bedierf zij er haar verdienstelijken.

Sluiten