Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELANGRIJKE ONDERWERPEN.

823

te gaan. Aan het lichaam, dat alle vergunningen kreeg, was de vorm van een maatschappij gegeven, een vorm waarvan in de oogen van velen, en vooral van kooplieden, het denkbeeld „zooveel mogelijk winst maken" onafscheidelijk is.

Het gaat voorzeker te vèr om te zeggen, dat het Gothenburgsche stelsel in zijn oorspronkelijken vorm niets heeft bijgedragen om hel; drinken in die stad te doen verminderen. Maar wèl mag men twijfel opperen, of zijn tamelijk snelle verspreiding in Zweden geheel toe te schrijven is aan den wensch om het drankdebiet te verminderen en niet voor een deel aan den wensch van bewoners van andere steden om ook daar de belastingen laag te houden door middel van de winsten, met kleinhandel in sterken drank te behalen.

Het Gothenburger-stelsel in Zweden is eigenlijk meer te beschouwen als een regeling van den drankhandel, zóó dat de al te groote misstanden daarbij verdwijnen, dan als een ernstige poging om het gebruik tegen te gaan.

Het beginsel van het Gothenburgsche stelsel „den drankhandel uit de handen te houden van personen, die van de winst leven moeten" is later ook in Noorwegen ingevoerd. In dit land, dat wegens zijn welgeslaagden strijd tegen het alcoholgevaar, aan alle andere in menig opzicht ten voorbeeld mag worden gesteld, is het beginsel vrij wat beter tot zijn recht gekomen dan in zijn vaderland, maar men heeft zich toch ook daar niet in voldoende mate los kunnen maken van het eerste Zweedsche voorbeeld.

Oorspronkelijk bepaalde de Noorsche regeling, dat de Samlags (Herbergmaatschappijen) haar winst moesten besteden aan nuttige doeleinden. Ongetwijfeld was dit beter dan de Zweedsche regeling en er kwam dan ook, meer dan in Zweden, van het invoeren van maatregelen, die ten doel hadden om de vraag naar sterken drank te doen verminderen. Zoo werd b.v. het Zweedsche systeem, om in de inrichtingen der maatschappijen warm eten te verkoopen, reeds van den beginne af niet overgenomen.

Toch bleek ook deze besteding van de winst nog verre van het ideaal. In de plaats van de belanghebbende tappers, die in Zweden door de belanghebbende kontribualen waren vervangen, kwamen in Noorwegen de filantropen als belanghebbenden en voorts allen, die wel gaarne nuttige instellingen zien tot stand komen, doch ongaarne daaraan bijdragen.

Dat men tegelijk een goed philantroop en een slecht drankbestrijder kan zijn, die in bet bestuur eener herbergmaatschappij een gevaarlijk element wordt, zoo lezen we dan verder, bewees een dokter in het dorpencomplex Sognefjord Voor de lijdende menschheid uit de omgeving achtte hij een nieuw ziekenhuis zeer gewenscht en hij klopte om fondsen daarvoor aan bij de Samlag van de streek. Deze had evenwel, door het toekennen van jaarlijksche bijdragen aan allerlei inrichtingen, voorloopig over al hare winsten be¬

schikt. De dokter, die zijn medebestuurders van de noodzakelijkheid van het nieuwe ziekenhuis wist te overtuigen, slaagde er toen echter in om door te drijven, dat de sinds eenige jaren, met succes ingevoerde Zondagssluiting der drankwinkels weder werd opgeheven; het gevolg bleef niet uit, de winsten stegen en de éénzijdige philantroop kreeg zijn ziekenhuis.

Daarbij komt nog, dat het aanvankelijke Noorsche systeem praktisch eigenlijk weinig verschilde van het Zweedsche. Bij de zich uitbreidende werkzaamheid van de gemeenten in bijna alle landen is het moeilijk te zeggen, wat tot haar gebied behoort en wat tot de taak moet worden gerekend van partikuliere vereenigingen, die voor de winsten der herbergmaatschappij in aanmerking komen. En dientengevolge kwamen in Noorwegen die winsten toch niet zelden langs een omweg aan de gemeentekas ten goede. Ja, men vindt in de lijst der zaken, waaraan de winsten in Noorj wegen worden besteed, niet weinige, die, hier te lande althans, beslist als zaak van de gemeente worden beschouwd.

Voor eenige jaren is in Noorwegen, ten einde l het belang der gemeenten bij de zaak te ver| minderen, een nieuwe regeling ingevoerd; 15 °/Q j van de netto winst komt thans direkt aan de I gemeente, 20°/o aan nuttige vereenigingen (en niet zelden dus toch indirekt aan de gemeente) en 65°/0 aan een Rijksfonds, waarover later zal worden beschikt. Vermoedelijk zijn die laatste gelden bestemd om een fundament te leggen voor pensioenverzekering. Geschiedt dit werkelijk, dan is het gevaar niet uitgesloten, dal de ééne drinker, gekscherende, den anderen tot een nieuwen borrel zal aanmoedigen met de woorden: „kom, laat ons voor onzen ouden dag zorgen."

Vervolgens bespreekt Mr. van Gijn de vraag, hoe dan de zaak ingericht moet worden, om het beginsel geheel tot zijn recht te doen komen en afdoende tegen afwijkingen te waken.

Slechts één middel schijnt geheel voldoende, om te voorkomen, niet slechts dat het lichaam, dat den kleinhandel op zich neemt, ooit werkelijk in de verleiding kome, zijn reden van bestaan een oogenblik uit het oog te verliezen, doch ook om allen schijn te vermijden, dat de drankhandel alleen aan de tappers is ontnomen, om de winst lang een of anderen omweg aan andere partikulieren ten goede te doen komen.

Dit middel is, meent hij,: te bepalen, dat de winsten nimmer voor iets anders mogen worden besteed dan voor bestrijding van het kwaad zelve, waaraan zij haar bestaan te danken hebben en van de directe gevolgen van dat kwaad: de tot een ziekte geworden drankzucht. Slechts bij een zoodanige inrichting is te verwachten, dat nog een stap verder zal worden gegaan dan, nietuitlokken van vraag naar drank, en wèl, dat zal worden getracht om niet te voldoen aan de vraag, die niet zóó sterk is, dat zij afgewezen, elders, desnoods in strijd met de wet, voldoening zoekt.

Sluiten