Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

824

DE HOLLANDSCHE REVUE.

Men stelle zich de zaak als volgt voor. Niet, gelijk in Gothenburg, een groep kapitalisten, die zekere geldbelegging zoekt, doch een groep drankbestrijders, liefst samengesteld uit matigheidsmannen, afschaffers en geheelonthouders vormt eene vereeniging, welker eenig statutair doel is „bestrijding van misbruik van sterken drank" en welker voornaamste middel tot bereiking van dat doel is: exploitatie van de tapperijen en slijterijen op zoodanige wijze, dat slechts aan onafwijsbare vraag worde voldaan, doch nimmer naar vergrooting van debiet, integendeel slechts naar inperking van de vraag worde gestreefd.

Aan die vereeniging moeten dan krachtens de wet alle of althans zooveel mogelijk alle vergunningen worden verleend, waarvan zij er zooveel moet exploiteeren, als met het oog op de bestaande vraag en ter voorkoming van clandestienen handel, beslist noodig is. Van verhuren van vergunningen aan lichamen, die misschien wèl naar vergrooting van debiet streven, zooals in Zweden geschiedt, mag natuurlijk geen sprake zijn.

Ten einde tot exploitatie te kunnen overgaan neemt de vereeniging de noodige gelden op tegen de laagst mogelijke rente (een maximum is bij Kon. Besl. vast te stellen), na vooraf een waarborgfonds bijeengebracht te hebben tot verzekering van de nakoming harer verplichtingen.

Voor alles moet nu gezorgd worden, dat zoo weinig mogelijk, liefst in het geheel geen, personen belang hebben bij het voortbestaan deitapperijen en slijterijen, zoovaak er voor opruiming van een of meer termen zijn. Daartoe is noodig vooreerst spoedige aflossing van de opgenomen gelden, opdat bij liquidatie geen tekort mogelijk zij; de geldschieters hebben anders belang bij het voortbestaan van de tapperijen. Voorts moet er een fonds worden gevormd, waaruit een wachtgeld aan het personeel kan worden gegeven, wanneer de vereeniging een harer inrichtingen meent te kunnen opheffen, en zij voor het personeel vooralsnog geen bezigheid heeft in hare, straks te noemen, alcoholvrije inrichtingen.

Wat van de winst daarna overblijft, en dat zal waarschijnlijk niet weinig zijn, zoude ingevolge de wet moeten worden besteed aan middelen tot tegengaan van het drankmisbruik en de genezing van drankzuchtigen, als daar zijn: het stichten en subsidieeren van alcoholvrije koffiehuizen en van volksleeszalen met bibliotheken engoedkoope vergaderzalen, het inrichten van melksalons en van limonade- en kofflekiosken op alle drukke punten, het stichten van tehuizen voor zeelieden en militairen alsmede van gaarkeukens; voorts bezoldiging van beambten tot opsporing van clandestienen verkoop en propaganda tegen den alcohol met woord en geschrift; en eindelijk de oprichting en instandhouding van asyls voor drankzuchtigen, terwijl ook geld beschikbaar zoude kunnen worden gesteld, om de opneming van die ongelukkigen in gestichten te vergemakkelijken door ondersteuning van hun gezinnen gedurende den verpleegtijd van den kostwinner.

Dan stelt de schrijver de vraag: „hoe moet nu zulk een vereeniging hare tapperijen inrichten ?" De praktijk zal z.i. hierbij veel moeten leeren.

De vereeniging heeft tusschen twee klippen door te zeilen.

Eenerzijds zal zij hare lokalen zóó moeten inrichten, hare exploitatie op zóódanigen voet moeten opzetten en zóódanige regels omtrent het bezoek en gebruik der lokalen moeten vaststellen, dat er geen sprake van kan zijn personen te lokken, die anders voorbijgegaan zouden zijn of wel bezoekers tot het gebruik van sterken drank te brengen, die spontaan iets anders zouden gedronken hebben, ja, zij moet verder gaan en trachten zoover te komen, dat degenen, die geneigd zouden zijn de tapperij te bezoeken en jenever te vragen, van plan 'veranderen en andere inrichtingen opzoeken of andere konsumptie vragen.

Maar anderzijds moet de vereeniging niet vergelen, dat zij bestaat, omdat anders klandestiene drankhandel niet te weren is; dat zij mitsdien de teugels niet al te strak mag aantrekken.

Een paar punten worden intusschen door Mr. van Gijn besproken.

Het zal vermoedelijk aanbeveling verdienen, om aan de zetbazen de winst op niet alkoholische dranken, wellicht ook die op lichte, steeds gekontroleerde, bieren te laten. Al zullen zij misschien niet veel invloed hebben op wat er besteld wordt, eenigen invloed daarop zullen zij toch zeker kunnen uitoefenen.

Het verstrekken van warm eten in de tapperijen schijnt z.i. niet aanbevelenswaardig. Dat zulks in Zweden wèl geschiedt, hangt eenigszins samen met de zeden van die natie en wordt trouwens ook daar reeds door velen gelaakt. In Noorwegen heeft men het nimmer gedaan. Veel wenschelijker is het, dat de vereeniging zoo spoedig mogelijk zorge, dat er in de gemeente een voldoend aantal goede gaarkeukens kome, die geen winsten behoeven op te leveren.

De lokalen moeten luchtig, ruim en goed verlicht zijn. Duisternis en bedomptheid versterken de zucht naar iets, dat prikkelt en opwekt, en verslappen de wilskracht om ïia te laten, wat beter achterwege blijft. Maar aan den anderen kant mogen de lokaliteiten niet door groole gezelligheid tot langdurig verblijf verlokken.

Biljarten moet de vereeniging buiten haar tapperijen houden maar daarentegen in hare andere inrichtingen — en ook in alkoholvrije inrichtingen van partikulieren — in grooten overvloed beschikbaar stellen, opdat niet kroegbezoek, door het schoone spel aangemoedigd en geëxkuseerd, in het voorbijgaan tot drankgebruik leide. Hoogstens plaatse de vereeniging, zoolang zij geen drankvrije koffiehuizen kan stichten of subsidieeren, een billart in een drankvrije kamer harer tapperijen.

Geen zitplaatsen te maken in de tapperijen, gelijk de Noorsche herbergmaatschappijen deden, zou, naar Mr. van Gijn vreest, te sterk indruischen tegen onze volkszeden.

Wel moet de vereeniging den prijs van den

Sluiten