Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELANGRIJKE ONDERWERPEN.

N-2.-)

borrel eeuigszins hooger stellen, dan die thans in herbergen, en/., van gelijke soort is, en moet zij gaandeweg het alcoholpercentage der sterke dranken verlagen; om de bekende reden is evenwel ook hierbij omzichtigheid zeer noodig.

.,Geet't het stelsel: drankhandel in handen van f drankbestrijders, nog meer voordeden aldus vraagt de schrijver verder.

Ongetwijfeld, zegt hij : In de eerste plaats Wordt de naleving van al wat de overheid tot beperkingvan het misbruik van sterken drank meent te moeten voorschrijven: sluitingsuren, verbod van vrquweljjke bediening, verbod van verkoop aan kinderen enz., afdoende verzekerd. In plaats van. zooals de particuliere tappers, bondgenooten té zijn van dat deel van het publiek, dat al die bepalingen hinderlijk vindt, zullen de vereenigingen bondgenooten van de Overheid zijn, bij de zorg voor de naleving harer voorschriften.

Verder wordt het volledig breken met den j drankhandel, indien dit vroeger of' later wensche- t lijk en mogelijk wordt geacht, door het overbrengen van den drankhandel bij de bedoelde vereenigingen veel vergemakkelijkt. De kapitalen in den drankhandel betrokken, kunnen al spoedig afgelost zijn; de waarde, die daarin dan nog steekt, behoort toe aan een doel, dat bij algeheel verbod grootendeels vervalt (indien dit ten minste niet geheel praematuur wordt ingevoerd). Personen, die bij den drankhandel belang hebben, zijn er niet meer. Verzet tegen het verbod kan dus nog slechts komen van hen, die drank verlangen te koopen, personen wier aantal echter, gelijk wij reeds zagen, zeer belangrijk in de minderheid moet zijn, alvorens men over het algeheel verbod in een gemeente mag denken.

Voert men het stelsel thans bij ons in, dan zal, naar de meening van den heer Van Gijn. rekening te houden zijn met de onaantastbare rechten van hen, die 'sinds 1881 in hetzelfde perceel te tappen. Hun aantal! is echter reeds zoo gedund, dat, al zullen zij in den aanvang de goede doorvoering van het stelsel eenigszins kunnen verhinderen, zulks toch niet van dien aard is, dat de vereeniging op hun verdwijnen behoeft te wachten. Anders wordt de zaak, als men aan alle bestaande tappers een onaantastbaar levenslang recht geeft. Dan maakt men het stelsel j voor goed onmogelijk. Want niet slechts zoolang die tappers leven, zal de invoering onmogelijk [ zijn, maar ook na dien tijd; immers vraagt en exploiteert niet een yereeuiging de telkens openvallende vergunningen — met al de bezwaren boven geschilderd —, dan zullen telkens weer nieuwe partikuliere personen een levenslang recht verkrijgen en het oogenblik, waarop de vereeniging alle tapperijen tegelijk kan krijgen, breekt nimmer aan. Zij kan dan óf niet worden op touw gezet óf zij moet een langdurige fase doormaken, waarin zij den handel absoluut niet beheerscht, en zich zelve onmogelijk maakt.

Als men dus inderdaad een ernstige proef met het (verbeterde) Gothenburger-stelsel wil geno¬

men zien, dan zal men z.i. niet kunnen nalaten eene bepaling in de wet op te nemen, krachtens welke op bepaalde tijdstippen, b.v. 1910, 1915, enz., alle bestaande vergunningen, voorzoover de houders niet sinds 1881 een onaantastbaar recht op vergunning hebben, zullen vervallen, wanneer zij eenigen tijd te voren zijn aangevraagd door eene vereeniging, die ze, onder door de Overheid te bepalen waarborgen, wil exploiteeren zonder eigen winstbejag.

overleveringen der Vaderen, in de heilige conciliën en het laatst in dit algemeen concilie geleerd heeft, dat er een plaats van zuivering (Vagevuur) bestaat en dat aan de zielen, die aldaar Worden opgehouden, hulp kan worden toegebracht dooide godsdienstige verrichtingen der gelooVigen, maar het meest door het Gode welbehagelijk misoffer; beveelt dit heilig concilie aan de bisschoppen, dat zij zorg dragen, dat de heilzame leer van het Vagevuur, overgeleverd door dé eerwaardige

57

HET VAGEVUUR.

Het koncilie van Trente gaf in zijn 25ste zjtting, 3 December 1563, een „ Decretum de purgatorio", hetwelk aldus luidt:

„Daar de katholieke Kerk, onderwezen dooiden H. Geest, uit de gewijde Schriften en de oude

Sluiten