Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KARAKTERSCHETS 837

Toch heeft de heer Thooft heel weinig resultaten van zijn voornemen tot het doen

herleven dezer oude Hollandsche

kunstnijverheid gezien, want hij had een zwakke gezondheid en zag zich daarom genoodzaakt langen tijd in het buitenland door te brengen.

Maar hij had weldra eeu tweede gelukje.

Naast en behalve den heer Le Comte wist hij ook nog een ander persoon voorzijn bakkerij te interesseeren, een persoon die veel tot den bloei en de uitbreiding der onderneming heeft bijgedragen.

Een vaas van „Rozenburg"-porselein. Dat was de heer

(Uitgevoerd door den heer Hartgring.) Abel Labouchère.

Als student aan

de Polytechnische School te Delft werd hij in 1881 eerst als volontair aan de plateelfabriek verbonden, om later, in 1884, als deelgenoot in de zaak opgenomen te worden.

Onder den naam van de firma „Joost Thooft en Labouchère" heeft de heer A. Labouchère nu dan ook, als eenig overgebleven firmant (de heer Thooft was inmiddels overleden) den 19en dezer maand de 25-jarige wedergeboorte der Hollandsche plateelbakkerskunst te Delft kunnen herdenken.

Veel heeft die kunst aan „de Porseleyne Fles" te danken, zelfs het ontstaan van de fabriek „Rozenburg" te 's-Gravenhage, die zich er niet alleen toe bepaald heeft om voorwerpen van aardewerk te fabriceeren, maar later ook de porselein-industrie er bij ter hand heeft genomen en nu onlangs, in de laatste plaats, de fabrikage van het zoogenaamde „kleurig grès" in ons land heeft geïntroduceerd.

En zoo komen we als vanzelf tot den heer Wolff von Gudenberg terug.

Deze toch, uit Duitschland naar ons land gekomen, was eenigen tijd bij „Joost Thooft en Labouchère" werkzaam geweest, en toen naar Den Haag getrokken, waar hij in de Boekhorststraat voor zich zeiven was begonnen.

Of het nu wel een mooie daad van hem was, nml. om toen hij, wat men noemt, de kunst te Delft had afgekeken, een konkurreerende zaak op te richten, willen we in het midden laten. We koustateeren alleen het feit, dat hij in een oud pakhuis of magazijn in genoemde straat in de Residentie een paar oventjes deed metselen, om zijn aardewerk te kunnen bakken, en zich daar toen ook ging toeleggen op het fabriceeren van Delftsch blauw.

Tocht rustte er in stoffelijk opzicht geen zegen op zijn onderneming; finantieel ging 't den heer Wolff von Gudenberg niet naar den vleeze.

Weldra verliet hij zijn pakhuis in de Boekhorststraat en verhuisde hij naar een plaats in Den Haag, die voortaan zijn naam aan de thans zoo bloeiende „Koninklijke Porselein en Aardewerkfabriek" zou geven.

Op den Z.W. Binnensingel te 's-Gravenhage, welke in die jaren aan de zijde van de Lijnbaan nog zeer slecht onderhouden werd en een soort van modderweg vormde, lag, door een slootje van dien singel gescheiden, een oud, halfverlaten buitenplaatsje, gelijk er vroeger op de grens, waar Den Haag in de weilanden overging, wel meer waren te vinden. Niet meer in gebruik als woonhuis, was 't nu af en toe in huur bij kunstschilders, die er

hun atelier gevestigd hadden. Vergissen we ons niet, dan hebben Willem Maris enTheophile de Bock daar ook nog tijdelijk verblijf gehouden.

Eu in dit buitenverblijfje, „Rozenburg" geheeten, was 't, dat Wolff von Gudenberg zijn plateelfabriek overbracht en aan hetwelk deze sinds dien haar naam ontleende.

Niet alleen door deze omstandigheid, maar óók nog dooreen andereen meer belangrijke was 't, dat de Haagsche plateelbakkerij naam begon te maken, en wel een grooten naam.

Want uitdie dagen dagteekent de Vaas van ,iRozenburg".p0rseiein.

Kennismaking van (Uitgevoerd door den heer Schelling.)

Sluiten