Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

850

DE HOLLANDSCHE REVUE.

DE VOLKSONDERWIJZER.

Tweemaal heeft minister Kuyper zich over de vrijheid uitgesproken, in de Kamer over die der ambtenaren, in de Memorie van Antwoord over die der onderwijzers, beide malen in denzelfden geest: volkomen vrij zijn ze, als ze maar niet deelnemen aan bewegingen, die de Staatsorde bedreigen.

Het is een nieuw criterium, zoover wij weten, aldus schrijft de redaktie van dit orgaan der „Soc. Dem. Ond. Ver." nu. Alleen laat het aan duidelijkheid een en ander te wenschen over. Gelukkig wordt in de M. v. A. als voorbeeld aangehaald de actie van het Comité van Verweer, en zijn we dus iets verder in de begripsbepaling. De motiveering ontbreekt.

We meenen, dat de actie van het Comité van Verweer ging binnen de grenzen der bestaande staatsorde. Het Comité zelf is onaangetast gebleven. Is het geen verderfelijke methode, wat men langs den strafrechterlijken weg niet vinden kan, door de administratie tot stand te brengen ?

De omverwerping der staatsorde is een heel groot woord, en misschien een nog grooter gedachte. We weten dat laatste niet. Wel weten we, dat het Comité van Verweer van den aanvang af met minder tevreden was. Het had zich het toch werkelijk bescheiden doel gesteld, de ingediende wetsontwerpen te doen intrekken ; en heeft om dat doel te bereiken geen enkel ongeoorloofd middel aangewend.

En zoo worden we overgeleverd aan de afwisselende meeningen omtrent onze staatsorde en van wat tot omverwerping daarvan kan leiden. Een ministerie, dat nog al vast van gestel is, zal het gevaar niet zoo dichtbij achten als een van zwakker constitutie.

Regeling onzer rechtspositie —best! Maar niet van dese heeren!

Verder ontleenen we aan het nummer van 13 December dan nog de volgende mededeelingen en gegevens op onderwijsgebied:

In Kroatië lopen op 't ogenblik 600 onderwijzers zonder aanstelling rond.

Het aantal studerenden is in Duitsland van 1896 tot 1903 gestegen van 23.371 tot 31.785, dat der medici echter gedaald van 7957 op 6257.

De grootste school in Stockholm (Fleminggatan, Kungsholmen) bevat in 90 lokalen ruimte voor 4000 leerlingen. In New-York is een school met 5000 leerlingen (87 lokalen).

Stettin krijgt een schooltuin van 14500 M2. Kosten van aanleg 2750 M. Onderhoudskosten 2750 Mk.

De bondsbijdragen voor kindervoeding en kleding in Zwitserland over 1903 bedragen voor Aargau 3398 Francs en voor Bern 30.000 Francs.

Tsechen hebben een door een duitse schoolvereniging in 't Reuzengebergte onderhouden school vernield, de ruiten stukgeslagen en de leermiddelen verbrand of vernietigd.

In Oostenrijk hebben 24.7°/0 der scholen halve dagen, 68.5°/0 hele dagen onderwijs. De rest gebruikt beide stelsels.

LANDBOUWKUNDIG TIJDSCHRIFT.

In een opstel getiteld: „Over tabakonderzoek voor Deli", doet Dr. A. van Bijlert uit Wageningen eenige korte mededeelingen aangaande de richting, waarin het onderzoek over Deli-tabak bij voorkeur geleid zal moeten worden om een algemeene kennis aangaande het Sumatra-dekblad te verkrijgen en om met hulp van kritiek en experiment tot eene verklaring te geraken van hetgeen de praktijk sedert jaren heeft waargenomen en toegepast. Hij doet dan o. m. uitkomen, dat de Deli-tabak wordt gekweekt ter wille van het blad; dit blad moet aan bepaalde door de praktijk vastgestelde eischen voldoen.

Het komt er dus maar op aan hoofdzakelijk van de bladachtige organen studie te maken en van alle faktoren, die bij de ontwikkeling en de eigenschappen van het blad een hoofdrol spelen. De studie van de tabaksplant in zijii geheel is daarbij vanzelf inbegrepen, omdat het blad een integreerend deel van de plant uitmaakt.

De faktoren, die meer speciaal invloed uitoefenen op het blad zijn sedert langeren of korteren tijd bekend en op een zeer overzichtelijke wijze met ruime litteratuur-opgave te zamen gebracht door Schimper in zijn handboek „Pflanzengeographie auf physiologischer Grundlage". Ook de wijzigingen, die de vorm en de struktuur der bladeren ondergaan naar gelang de verschillende omstandigheden, waarin de plant verkeert, worden daarin uitvoerig toegelicht.

Bij wijze van proef toetst Dr. van Bijlert nu het Deli-blad en de geheele plant aan hetgeen omtrent de planten in het algemeen bekend is geworden.

De heer F. B. Löhnis, landbouwinspekteur te 's-Gravenhage, betoogt vervolgens in een artikel, waarin hij de „Verschillende stelsels van Veeverzekering" uiteenzet, dat aan verplichte verzekering groote voordeden verbonden zijn, wijl men daarbij met de grootste getallen te doen heeft, waardoor de kosten van ieder veehouder aanzienlijk worden verlaagd. Verplichte verzekering is z. i. echter een plant, die op onzen bodem overgebracht, niet gemakkelijk zal tieren.

Het komt mij dan ook voor, zoo zegt hij, dat de vrije privaatrechterlijke organisatie op den voorgrond moet worden gesteld. Het voorbeeld door België gegeven zou, dunkt mij, het best voor onze toestanden pasklaar gemaakt kunnen worden, daar die organisatie het best aansluit bij het reeds bestaande. Voor het overige bevat aflevering 12 van dit tijdschrift dan nog: J. Z. ten Rodengate Marissen, „Iets over 't bezaaien van uieuw aan te leggen grasland en de verpleging der jonge zode gedurende den eersten tijd"; J. G. Hazeloop, „De teelt van Bloemkool aan den Langendijk" (met plaat); en R. W. Tuinzing. „Eene opmerking betreffende de methode Hübl tot het bepalen van het joodcijfer van oliën en vetten".

Sluiten