Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE HOLLANDSCHE REVUE.

schrijfster rogge, haver en boekweit tegelijk met zonnebloemen bloeien, en troffen we er een zin als de volgende in aan: „Toch bleef, schoon 't scherp begrensde beeld door hem werd weggeschertst, dat mooie ongelukkig-getrouwde vrouwtje wolkig in haar hoofd hangen, tot de slaap 't er geheel uit veegde...!"

De koloniale letterkunde heeft ten aauzien van Suriname aan weinig standaardwerken het aanzijn gegeven; vergeefs zoekt men onder de schrijvers over die volkplanting de evenknieën van Valentijn, Juughuhn, Veth, v. Rhede v. d. Kloot, enz. Veel snipperarbeid en weinig litterarische monumenten.

Echter bestaan over enkele goeverueurs der kolonie monografieën, welke het gemis van systematische levensgeschiedenissen eenigermate doen vergeten. Enkele mannen van beteekenis onder hen zijn in geschrifte eervol herdacht geworden; en in het kader van hun tijd, tegen eene Westindische samenleving als achtergrond geplaatst, nemen deze portretten een stuk der koloniale geschiedenis als 't ware met zich. Hunne lotgevallen zijn tot zekere hoogte tevens de lotgevallen van de kolonie, welke zij regeerden, terwijl het relaas daarvan een blik doet werpen in onze koloniale maatschappij, evenzeer ouder de tropen levend als de Oostindische, en toch ver en breed daarvan afwijkend.

Zoo treedt uit verschillende bronnen op voordeelige wijze te voorschijn het beeld van Mr. Jan Jacob Mauricius, goeverneur van Suriname tusschen de jaren 1742 en 1751.

Aan dezen „Surinaamschen goeverneur uit de 18e eeuw" wijdt de heer S. Kalff nu een uitvoerige monografie.

Van D. Fuldauer krijgen we dan een schets „Droef leven" geheeten, waarin op verdienstelijke wijze het sterfbed van een ziekelijk meisje wordt beschreven. Vervolgens bevat „Nederland" nog een gevoelig schetsje van Ans-Salomons („Désillusië"), benevens David Moolenaar, ,,'n Spelletje"; M. de Negri, „Dwaallicht", en eenige verzen.

DE NAVORSCHER.

De heer A. Aarsen komt in „De Navorscher" van December nog eens terug op de kwestie der afleiding van het woord „hobbezak" (men zie ook de bespreking van dit tijdschrift in ons vorig nummer), en zegt zich, wat de afkomst en de beteekenis van dit woord betreft, 't best te kunnen vereenigen met de verklaring van den heer Ter Gouw.

Robben drukt, volgens Bilderdijk in zijn Verkl. Geslachtlijst, beweging uit, op en neer of heen en weer. 't Woord is nog aanwezig in ons hobbelpaard en in de interjecties hob-sa-sa en hobsa-jannetje.

En nu sak. In de Verklar. Woordenlijst op Der Leeken Spieghel van Prof. M. de Vries vind ik: „Zac, benaming van het ligchaam, met min¬

achting gesproken. Vandaar de uitdrukking: den zak der menscheit an doen, van de menschwor^ ding, waartoe Christus zich verwaardigde. Noemde men daarentegen het ligchaam (dat der H. Maagd b. v.) met eerbied en achting, dan was vat de gewone naam. In den trivialen volksmond heet nog 't ligchaam zieisak". Een hobbezak is dus een onbeteekenend bewegelijk persoontje.

De heer Van Hoevell uit Olst vertelt dan op een andere plaats, dat 't hem onlangs opviel, dat in de „Biographie Universelle" par Lud. Lalanne, L. Renier, Th. Bernard, C. Laumier, S. Choler, J. Mongin, E. Janin, A. Deloye, C. Friess," uitgegeven bij Garnier frères te Parijs in 1852, onze graaf Dirk I, die door koning Karei den Eenvoudige met het graafschap begiftigd werd, vermeld wordt als te zijn de broeder van Herman, hertog van Saksen.

Gesteld dit ware werkelijk zoo, zegt hij, dan zouden onze graven uit het zoogenaamde Hollandsche huis, uit het huis Billing hebben kunnen zijn. Deze hertog was nl. Herman Billing, dien Meibomius laat afstammen van Wittikind en die door Keizer Otto den Groote eerst tot stedehouder en naderhand in 960, tot hertog van Saksen werd aangesteld, te Lunenburg zijn hof gehouden en aldaar een slot gebouwd heeft. Het is z. i. evenwel best mogelijk, dat de geslachtsnaam Billing door Herman het eerst gevoerd werd en dus overigens ook alleen diens afkomelingen zich zoo genoemd hebben. Dit Saksisch hertogelijk huis Billing stierf in 1106 uit.

BELANG EN RECHT.

In de Nrs. van 8 en 11 Juli 11. besprak het „Sociaal Weekblad" met instemming de brochure van mevr. Rutgers—Hoitsema over bizondere bescherming van vrouwenarbeid. Mevr. RolandHolst bestreed die brochure in den „Nieuwen Tijd" van Oktober en November. Het feit, dat een vrijzinnig-demokratisch orgaan — weinig in overeenstemming met de traditie van het „Sociaal Weekblad", zooals „Belang en Recht" al opmerkte — den toch al zoo moeilijken strijd voor arbeidswetgeving komt verzwaren, maakt voor Wabien Andreae nu een speciale bestrijding van het standpunt van dat orgaan noodig, wat dan ook in een vervolg-artikel in de nummers van 1 en 15 December jl. van „Belang en Recht" door hem gedaan wordt. Op het slot zijner beschouwingen komt de auteur dan tot de volgende drie stellingen:

1. Bizondere bescherming is de historisch noodwendige overgang tot regeling van mannen- en vrouwenarbeid beide.

2. De statistieken wijzen niet op verdrijving van vrouwen uit. beschermde bedrijven, meestal op toeneming.

3. Mocht vermindering in een enkel land het geval zijn, dan is het onwaarschijnlijk, dat de Arbeidswet de oorzaak is.

Sluiten