Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

802

DË HOLLANDSCHE REVUE.

DB KATHOLIEK.

In de nalatenschap van wijlen Dr. H. J. A. M. Schaepman werden eenige beschouwingen gevonden over „Christelijke geschiedbeschouwing", die door zijn neef en mede-exekuteur Dr. A. C. M. Schaepman, thans president van het Aartsbisschoppelijk Seminarie te Rijsenburg, waar de groote ontslapene ruim dertig jaar achtereen de kerkelijke geschiedenis doceerde, welwillend ter beschikking werden gesteld van diens vriend Dr. G. Brom, die ze nu in „De Katholiek" van December publiceert.

Voor eenigen tijd verschenen twee werkjes, die j denzelfden titel voeren, maar een tegenovergesteld doel beoogen; het een: „St. Dominic and the Rosary," van P. W. Lescher O. P. tracht te be- | wijzen, dat de H. Dominicus den Rozenkrans heeft ingesteld; het ander: „St. Dominikus und der Rozenkrans", van P. H. Holzapfel O. M. zoekt deze meening op historische gronden te weerleggen. Ofschoon deze strijdvraag niet nieuw is, want vóór 150 jaar hebben de Bollandisten haar reeds opgeworpen, heeft zij toch in de laatste dagen meer de aandacht getrokken, omdat laatstgenoemde schrijver ze tot stelling voor zijne promotie aan j de Universiteit te München had uitgekozen.

Na een korte bespreking van deze beide geschriften te hebben doen voorafgaan, vernemen we dan in een artikel over „De instelling van den Rozenkrans" van pater G. A. Meijer op de ! vraag: „Wanneer en door wien is de thans heerschende meening omtrent de instelling van den Rozenkrans ontstaan?", dat voor zoover de kritiek heeft kunnen nasporen, deze meening tot Alanus de Rupe, een Dominicaan uit de 15de eeuw, opklimt. Omstreeks 1428 in Bretagne geboren, zoo schrijft pater Meijer, trad deze kloosterling te Dinan in de Orde van den H. Dominicus en volbracht zijne studiën te Parijs. Daar het hem verdroot, te verkeeren in een klooster, waar, door samen- j loop van omstandigheden, eene mildere toepas- | sing der regels, eene verslapping der kloostertucht, was heerschende geworden, ging hij in 1462, met verlof van den Generaal, over tot de Hollandsche Congregatie: eene vereeniging van | Nederlandsche Dominicanenkloosters, waar men zich de nauwgezette onderhouding of observantie der oorspronkelijke regels had ten doel gesteld.

Het moet omtrent Paschen van het jaar 1463 geweest zijn, zoo verhaalt ons Alanus. dat hij ! tijdens eene geestelijke beschouwing, door een ! hemelsch visioen werd bevoorrecht. De allerheiligste Maagd Maria verscheen haren dienaar, j gaf hem blijken van de teederste liefde en beval j hem het Rozenkransgebed overal te prediken. I De grootste gunsten zouden hem te beurt vallen, j zoo hij dit apostolaat trouw en ijverig vervulde, doch bleef hij in gebreke, dan zouden zware straffen hem treffen. Zulk een opdracht ontstak | hem in heiligen geestdrift. Onvermoeid doorkruiste hij het tegenwoordige Noord Frankrijk en de Zui- ! delijke Nederlanden, in stad en dorp dit gebed predikend. Waar hij de volkstaal niet machtig was, gelijk te Gent en later te Rostock, bood een j

ordebroeder zich als tolk aan. Zoo vruchtbaar was zijne prediking, dat, toen hij in 1475 op Onze-lieve-Vrouw-Geboorte te Zwolle overleed, de Rozenkransdevotie bij geestelijken en leeken de ijverigste beoefenaars vond. Uit eerbied voor den religieus, die in roep van heiligheid stond, beval het Kapittel der Dominicanen, in 1476 te Haarlem vergaderd, alle geschriften van Alanus, zoowel oorspronkelijke als gecopiëerde, te verzamelen en zoo spoedig mogelijk aan den Vicariusgeneraal te zenden. Ijverig werd deze last uitgevoerd, zoodat na twee jaar het bevel kon worden ingetrokken.

In deze geschriften nu leert Alanus op gezag van persoonlijke visioenen en revelaties, dat de H. Dominicus op bevel der allerheiligste Maagd den Rozenkrans gepredikt heeft. Tot bevestiging der waarheid roept hij zelfs de zwaarste straffen des Hemels af.

Verder memoreeren we uit den inhoud van dit katholiek maandschrift nog: „Over de kunstschool van Beuron," (I. Inleiding. II. Het eerste werk en de algemeene beginselen), door Jos. van Veen, Pr.; „Mislukt", van Leo Balet; „Naschrift bij de Aanteekeningen op de brochure van den Heer Wildeman", archivaris van het Hoogheemraadschap Delfland, door J. L. Jansen, Congr. SS.R.; „Proeven van Kerklied: O Serena. —Padrona mia", door A. Huijbers.

STEMMEN UIT DE VRIJE GEMEENTE.

De oude Grieksche worstelaars en kampvechters onthielden zich van wijn en zware spijzen om hun kracht en lenigheid zooveel mogelijk te behouden en te vermeerderen. Inzonderheid, wanneer een groote wedstrijd op. handen was, onderwierpen zij zich aan een uiterst strengen leefregel. Nog heden doen dit de beoefenaars van de sport, zooals wielrijders, worstelaars, roeiers, schaatsenrijders en tal van anderen.

Maar ascese is niet enkel oefening of onthouding om het lichaam krachtig en vlug te houden, doch tevens om de zedelijke levenstaak naar behooreu te vervullen. Daarvan maakte reeds Paulus gewag in de volgende bewoordingen:

„Een iegelijk, die om een prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. Ik loop dan alzóo, niet als op het onzekere; ik kamp alzóo, niet als de lucht slaande; maar ik beuk mijn lichaam en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet eenigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde."

De ascese, zoo zet de heer J. J. Heep dan in een artikel over dit onderwerp uiteen, laat zich terugbrengen tot vier vormen. Zij bestaat allereerst in „vasten". Sommigen laten het eten en drinken op zekere dagen geheel na. Anderen ontzeggen zich levenslang het genot van enkele dranken en spijzen, zooals alkoholika en dierlijk voedsel. Tot de ascese behoort ook het prijsgeven

Sluiten