Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

pelijken grondslag, en aan den anderen kant beschikte over muzikaal talent, een uitermate scherp geoefend gehoor, en theoretisch muzikale kennis, zooals dit alles hoogst zelden, en zeker wel niet meer dan ééns in een eeuw in eenzelfden persoon vereenigd wordt aangetroffen. Zijne zoowel wetenschappelijk als muzikaal gemotiveerde uitspraken kunnen daarom niet anders dan buitengewoon hoog worden aangeslagen. Heeft de Heer Loman, een man van standing en veelzijdige begaafdheid, die zelf uit een wetenschappelijk milieu stamt, dan zoozeer alle kritiek en gevoel van eerbied verloren, dat hij over ons aller meerdere durft spreken als „Helmholtz en de rest"? Immers, al klinkt „e tutti quanti" muzikaler, een andere beteekenis heeft deze uitdrukking niet. Ik hoop voor den Heer A. D. Loman Jr. dat het een lapsus is geweest. iniiirnmiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiJiiiiifiiHiiiiMriJiiiiiiiiiiiuHJiiiiiiiiiHiJiiifiriiiiiiiiiiiiiiuitiiifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiriiiiiiHiui

Is het Mechelsche Systeem wenschelijk voor onze Carillons?

door J. VINCENT.

Over het veranderen van onze carillons volgens het Mechelsche (Denijn) systeem is, zoowel in de vakbladen, als in de dagbladen, heel wat geschreven, en dit systeem, ook het bij ons aangebrachte z.g. broeksysteem, is naar ik meen voldoende toegelicht. Persoonlijk ben ik sterke tegen.' stander van het Mechelsche systeem, en met mij heel wat Hollandsche klokkenisten; hieronder waren er verscheidene die mij verklaarden, dat zij het M. S. niet gaarne op hun Carillon aangebracht zouden zien. Oremus, de Arnhemsche klokkenist, (waar nu het M. S. is aangebracht) verklaarde mij, toen hij bij mij gespeeld had, best te kunnen begrijpen waarom ik tegenstander was, en gaf toe dat hij liever het broeksysteem op zijn carillon gewenscht zou hebben.

Het Belgische systeem zwaar? Neeni

zegt de heer Brandts Buys. Maar wanneer wij een beschrijving lezen van omstreeks 1740 over den klokkenist Pothoff (Potholt) die toen klokkenist van het raadhuis (het tegenwoordige Koninklijk Paleis) was, en waar volgens heeren archaeologen toen ook het tuimelaar systeem aanwezig was, en daarnevens een beschrijving van Denijn in 1923 over een bespeling te Mechelen, dan krijgt men een duidelijk beeld dat het M. S. zeer zeker zwaar te bespelen is. Ik laat hier beide beschrijvingen volgen:

„In het midden der 18e eeuw leefde te Amsterdam de klokkenist J. Pothoff (geb. 1726). Bracht zijn orgelspel ons in bewondering, het hoogtepunt werd bereikt toen wij hem de klokken hoorden bespelen. Hij ontkleedde zich tot op zijn hemd, zette een slaapmuts op, en de bespeling begon. Met de vuisten sloeg hij op de toetsen, snelle passages, trillers, mordanten, en zelfs op de piano moeilijk uit te voeren loopen (? ?) bracht hij ten gehoore. Is de bespeling afgeloopen, dan is Pothoff zoo vermoeid en afgemat, dat hij nauwelijks kan spreken. (Burneij in zijn „muzikale reizen" over een bezoek, dat hij aan Potholt op den toren bracht).

Een eensluidend verslag geeft Emile Verhaeren in Januari 1923 in „de muziekwarande" over Denijn. „Nog waren wij het sterke trapje niet ten einde geklauterd, of reeds was hij opnieuw aan 't worstelen, want heusch, worstelen mocht het heeten wat hij daar verrichtte. Om zijn blanken forschen romp zat een licht onderlijfje; een linnen broekje reikte hem pas tot de knieën. Hij schoof op het lederen bankkussen heen en weer, de armen met rustige kracht heffend en neerplompend op de ronde staven van zijn klavier, de spierige beenen met koene trippelschokken voortbewegend over de zware klompen ') van het pedaal. Van zijn

') Waartoe is het noodig dat Denijn het carillonpedal, ingericht volgens het orgelpedaal, laat wegnemen en hiervoor „zware klompbalken" laat maken ?

Sluiten