Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

bevatte, beter een kwart arsis en dan twee vierkwartsmaten en een driehalvemaat hebben. Dat ten onzent vele protestantsche kerkbesturen het koor uitsluiten is heel jammer, ook voor Pijlman's a cappellazangen, waarmee men menig christelijk gezelschap mag gelukwenschen, hopend dat ze dikwijls worden voorgedragen met de geoefende stemmen die ze verdienen.

Hendrik C. van Oort deed in twee bundels tien liederen verschijnen bij woorden der jong gestorvene Justine De Bunje. Zij had haar manuscript aan H. W. van der Mey gegeven, en blijkens een voorrede van hem, waarin haar portret staat, heeft hij gemeend de verzen met toondicht aan het publiek te moeten schenken. Wie kunst en oorspronkelijkheid in poëzie verlangt, zal hem niet dankbaar wezen. Maar de gedichtjes uiten iets hartelijks en liefs. Dat heeft Van Oort gekoesterd met bewogene genegenheid, Schumann's volgelingen trouw, en soms aan Coster herinnerend. Hem zullen velen erkentelijk zijn.

v. W.

iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiffliiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiii iiun iiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiminiiiiiiiniiiiiinHfln

Ingezonden. Geachte Redactie,

Vergun mij een paar vragen. Ik geloof deze niet beter te kunnen stellen dan in een tijdschrift, waaraan uitsluitend deskundigen meewerken. Zij luiden : Waarom wordt de Opera-de Groot doodgezwegen? Waarom worden historische feiten, deze eens zoo bloeiende instelling betreffende, verdraaid? Waarom wordt haar stichter, die niet meer is om zijn stem tegen onrechtvaardigheid te verheffen, maar al te vaak de eer ontnomen, welke hem toekomt?

Sinds ik mij, na een afwezigheid van twintig jaren, weer in Holland gevestigd heb, nu vier jaar geleden, is mij die treurige waarheid opgevallen. Verscheidene malen heb ik getracht in ingezonden stukjes, onjuistheden recht te zetten. Enkele bladen namen mijn verweer op, andere weigerden. Als zoon van wijlen J. G. de Groot heb

ik den plicht de nagedachtenis van mijn vader te doen eerbiedigen en haar recht laten wedervaren.

Dwazen en weinig hoogstaande karakters hebben het noodig geacht z.g. anecdotes omtrent zijn muzikale kennis in omloop te brengen en deze zelfs in dagbladen te laten verschijnen. Hoewel mijn vader geen musicus was, zou ik toch merkwaardige staaltjes kunnen meedeelen en met documenten kunnen aantoonen, hoe zeer zijn muzikaal-dramatisch instinct ontwikkeld was. Heeft men aan die intuïtie niet verscheidene groote zangers te danken: Henri Albers, Orelio, Pauwels, enz? En ware dit zelfs niet het geval, anecdotes, die uitsluitend tot doel hebben de verdiensten van een man in belachelijk daglicht te stellen, zijn minderwaardig en smakeloos.

Mannen van het vak begaan onophoudelijk vergissingen betreffende de Groot's stichting en ik kan mij moeilijk ontveinzen dat deze steeds onbewust worden neergeschreven. Een musicus, die de pen hanteert, dient minstens op de hoogte te zijn van de muziekgeschiedenis van zijn land. Ik ben van meening, dat de stichting van de Hollandsche Opera in 1886 door J. G. de Groot, instituut dat spoedig daarop herdoopt werd in „Nederlandsche Opera," instelling welke tien jaar lang, steeds onder leiding van haar stichter, functioneerde en in die jaren zelfs een bloeiperiode meemaakte, toch wel een datum in de muziekgeschiedenisvan Holland mag genoemd worden. Dat een collega deze feiten ignoreert en onlangs in het „Vaderland" (Dinsdag 28 Aug.) ter gelegenheid van de Jubileumsfeesten in een stuk over de Nederlandsche muziek de jaartallen 1886—1904 neerschreef als zijnde die van de operaperiode van der Linden, acht ik verbijsterend. Wijlen Kees van der Linden maakte zelfs in 1886 geen deel uit van de stichtingde Groot, hij dacht aan geen opera-directie noch aan een dirigentenzetel aan soortgelijke instelling. De Opera-de Groot

Sluiten