Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

57

en waardeeren en het is dan ook met vrijmoedigheid dat ik aan het verzoek van de redactie voldoe, om naar aanleiding van zijn 50sten verjaardag enkele regels te wijden aan Hubert Cuypers en zijn werk.

Beginnen wij met den componist. Cuy-pers is voor mij een van de meest beteekenende figuren onder de Nederlandsche toonkunstenaren en meer bepaald als componist van vocale muziek ■— 't gebied waarop hij zich bij voorkeur beweegt — moet hij, naar me dunkt, als een geheel aparte verschijning beschouwd worden. ■— Door zijne strenge studiën van den Gregoriaanschen zang en den Palestrijnschen stijl heeft hij het gevoel voor de juiste verbinding van woord en toon sterk ontwikkeld en ook hierdoor heeft hij de losheid en de lenigheid in de stemvoering verkregen, die wij in de meeste zijner werken zoo bewonderen. Zou men allicht verwachten dat bij iemand, die zoo gemakkelijk fantaseert en improviseert ook de composities iets rhapsodisch, iets fragmentarisch hebben verkregen, bij Cuypers is dit geenszins het geval. Wat ik van hem hoorde maakte wel degelijk den indruk van goed overdacht, geheel voldragen, echt uit één stuk. Wat den stijl betreft: Fransche zoowel als Duitsche invloeden zijn bij Cuypers' muziek merkbaar. Hij schrijft nu eens nieuw dan eens oud, al naar dat zijn hart 't hem ingeeft, of dat zijn onderwerp of zijn tekst er om vraagt. Doch dit alles, zonder dat er sprake is van 't navolgen van een bepaalde richting, of zonder dat men kan zeggen zijn muziek lijkt op dit of dat.

Het kan de bedoeling niet zijn hier een volledig overzicht te geven van Cuypers' „oeuvre." Slechts wil ik enkele werken aanstippen om te wijzen op het veelzijdige van Cuypers' kunst.

Behalve de hierboven reeds genoemde Mis schreef hij op kerkelijk gebied: een „Missa in honorem s.s. Trinitatis" voor mannenkoor en tenorsolo en een „Te

Deum Laudamus" voor dubbel gemengd koor, beide met orkest- en orgelbegeleiding. Twee kapitale werken, die ter gelegenheid van 's componisten vijf-en-twintig. jarig kunstenaars-jubileum in het concertgebouw werden uitgevoerd en waaraan ik de aangenaamste herinnering heb bewaard.

Veel heeft Cuypers voor de dramatische kunst gedaan. Daar is zijn muziek bij Vondel's „Lucifer", die bij „Adam in Ballingschap", die bij „Judith" van Herman van der Eerenbeemt. Partituren van zeer uiteenloopend karakter, die alle met succes werden ten gehoore gebracht. In één genre is Cuypers bepaald eenig en onovertroffen; we bedoelen het declamatorium. Persoonlijk kan ik voor het soort nooit veel voelen, I m°, omdat m.i. het gesproken woord nu eenmaal niet met de muziek versmelt, IIdo, omdat het luisteren naar muziek den heelen mensch vraagt en het luisteren naar een gedicht ook. Hoe men echter ook over het declamatorium denke, elkeen zal moeten erkennen dat „Die Wallfahrt nach Kevlaar" (Heine), door Ludwig Wüllner o.a. met groot succes te Berlijn en te Weenen voorgedragen en „Terwe" (Réné de Clercq), dat een triomftocht door Nederland en België maakte, in hun soort meesterwerken zijn, die voor wat buitenlanders op dit gebied leverden, niet behoeven onder te doen. Meer zal ik op 't oogenblik maar niet noemen. Alleen zij om het veelzijdige van Cuypers' talent te accentueeren nog even gewezen op het stuk, dat reeds eenige weken met succes in het Paleis voor Volksvlijt wordt opgevoerd... de Operette „Prinses Carnaval."

Als dirigent leerde ik Cuypers het eerst kennen op de concerten van de(n) Amsterdamsche(n) Kunstkring. Deze Vereeniging gaf kamermuziek-avonden in de kleine zaal en oratorium-uitvoeringen in de groote. Voor de laatste richtte Cuypers een eigen koor op, dat hij in korten tijd tot een van de beste in den lande wist op te

Sluiten