Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Over het mannelijk kopregister en zijne ontwikkeling tot „voix mixte"

door

Dr. phil. CARL KLUNGER, Dresden (Saksen). Vertaald door W. N. VLAMING.

Een van de meest belangrijke vraagstukken, welke de stemvorming betreffen, is vast te stellen of het onderzoek naar de wijze waarop de toon wordt voortgebracht, al dan niet uitsluitend valt op anatomisch terrein. Gewoonlijk geeft men toe, dat dit zoo is en er zijn zelfs zangpaedagogen, die er tijd te over aan besteden, om hunne leerlingen een ruime theoretische kennis bij te brengen van alle takken der klinische wetenschap, welke eenigerlei wijze met zangstudie in verband staan.

Evenwel doet de ervaring hen spoedig inzien, dat zingen afhankelijk is van tweeerlei wijze van inzicht. Niet physiologie alléén doet alle factoren kennen, welke bij het zingen medewerken, maar psychologie in haar hoogsten vorm maakt het mogelijk, menig „mysterie" der stemvorming te verklaren. Beiden moeten hand in hand samenwerken om den leerling te brengen naar die wijze van stembeheersching, welke hem in staat stelt aan alle eischen der oude en der moderne vocaalmuziek te voldoen.

Het is een feit, dat zangers met prachtige natuurstemmen niet tot de hoogste artistieke volmaaktheid kwamen, ofschoon zij toch alle physiologisch mogelijke verklaringen hadden bestudeerd en begrepen. En na langen tijd allerlei oefeningen gemaakt te hebben op grond eener dergelijke theorie, welke uitsluitend steunt op de z.g. (verkeerd begrepene) wetenschappelijke zangkunst, hadden zij nog zelfs niet de eerste trede bereikt, t.w. het beheerschen; besparen van den adem; dit wil zeggen dat zij aan een van de meest belangrijke eischen, welke gesteld worden aan de vorming eener stem die tot artistieke toon-voortbrenging in staat moet zijn, niet voldeden.

Wat is het, dat een dergelijke zanger,

dikwijls na een lange loopbaan nog mist? Ofschoon begaafd met natuurlijk zangtalent, blijft hij voortdurend het technische meesterschap over zijn instrument ontberen. Hij voelt zelf dit gemis en daar hij geen leeraar heeft, bekwaam genoeg om zijn stem te verbeteren, begint hij andere zangers na te bootsen, met toewijding en volharding, misschien ook wel met eenig succes, maar in ieder geval steunt de verbetering niet op hechten grond.

Zonder twijfel, er zijn zangleeraren geweest, die, door de nabootsingsmethode in toepassing te brengen en door op deze wijze een nieuwen weg te ontdekken, welke voert tot het hoogste artistieke kunnen, een klein gebouw opgetrokken hebben, dat later enkele leerlingen veilig beschutte. Niet zelden na vele misgrepen, ontgoochelingen en nadat zij hun eigen stem door overspanning verwoest hadden, bedachten zij een nieuwe zangonderwijsmethode: op dezelfde wijze als zij hun weg hadden gevonden n.1. door den zangleeraar te imiteeren, werd ook den leerling bijgebracht zijn stemgaven te ontplooien.

Iedereen zal moeten toegeven, dat stemvorming op zulk een wankelen grondslag als nabootsing, voor den leerling even onbevredigend is als het volgen eener methode, welke er uitsluitend op gericht is anatomische kennis bij te brengen.

Hierbij moeten wij nog opmerken, dat imitatie vordert een vermogen, dat alleen langzamerhand kan worden verkregen gedurende den gang van het onderwijs en in de zeldzaamste gevallen reeds aanwezig is bij het allereerste begin van den cursus.

Over het algemeen bezit een leerling niet het vermogen, om zijn speciale toonvoortbrenging met die van andere zangers te vergelijken. Hij kan slechts trapsgewijze geraken tot een zekere mate van inzicht, hetwelk ontwikkeld wordt door onderwijs volgens een methode, welke den makkelijksten en zekersten weg biedt tot het verkrijgen van een stem, welke klankenschoonheid,

Sluiten