Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

133

produceeren van dezen toon te voldoen, moet een vocaal gekozen worden zooals b.v. u (Fransch lune) of oe (Fransch mou) en begonnen worden met de hooger gelegen tonen. De leerling moet er naar streven, den koptoon zoover mogelijk naar de laagte te voeren en dezen aldus gaandeweg met het middenregister te vermengen, dat later zal worden gevormd, door middel van den koptoon, als deze ten volle zal zijn begrepen.

In den regel is het voldoende den leerling die tonen te doen zingen, welke hij gewoonlijk minacht, als zijnde van vrouwelijk timbre. Het is voor hem van het grootste belang, om gedurende langen tijd uitsluitend gesloten vocalen te zingen, om op deze wijze meer en meer den toon te concentreeren. De open vocalen verliezen meestal in het kopregister de compacte resonans, daar de leerling nog niet in staat is om grootste wijdte der resonansholten te vereenigen met geconcentreerden adem. Vervolgens is voor hem het beste middel om, indien hij open klinkers zingt, zich gesloten klinkers voor te stellen, zoodat er klinkers ontstaan van een geheel nieuw klankgehalte, welke het midden houden tusschen beiden en daarom gemengde vocalen genoemd worden. Die gemengde vocalen, welke den grondslag vormen voor het gemengde timbre, worden gewonnen door aanhoudende oefeningen in de kopstem. Gedurende langen tijd zullen de open klinkers in het kopregister niet veel van de geslotene verschillen en het zal voor den toehoorder zeer moeilijk zijn om te onderscheiden tusschen ü en ö, ö en a, u en o (Duitsche klinkers), daar de donkere tint in het begin niet toelaat aan iedere klinker apart zijn typeerend karakter te geven. De vermenging gaat dikwijls zoover, dat zij zelfs verschillende samenstellende elementen vertoont, zoodat er in één en dezelfde vocaal klanken van vrijwel onbepaalbaar karakter verborgen schijnen. Nadat de leerling de voorgeschreven

oefeningen voldoenden tijd heeft uitgevoerd en hem door eigen physieke ervaring den innigen samenhang, welke bestaat tusschen den vorm der klinkers eenerzijds en mond-, neus- en keelholte anderzijds, tot bewustzijn is geworden, zoodat hij in staat is om te zingen met open keel en het zachte gehemelte zoo te gebruiken, dat de geproduceerde toon de verlangde tint heeft, begint de leerling den zuiveren koptoon tot grooter volume te ontwikkelen.

Het is de logische voortzetting van wat hij tot nu toe had beoefend. Wat nog slechts moet worden toegevoegd zijn nieuwe resonatoren, welke gewonnen worden door te streven naar den meest denkbaren wijden vorm van den klinker.

Daarenboven is er voor massale, stralende en machtige tonen een bijzondere wijze van uitademing noodig. Wanneer de leerling gedurende langen tijd koptoonoefeningen maakt, heeft dit behalve het reeds genoemd resultaat bovendien indirect tot gevolg, dat hij zich de kunst inen uitademing eigen maakt. Daar voor het teerste koppiano slechts weinig adem noodig is, is het gemakkelijk den adem te controleeren, in overeenstemming met het toenemende aantal resonatoren neemt ook de benoodigde hoeveelheid adem toe, want alle holle ruimten resoneeren alleen dan volkomen correct, indien de daarin aanwezige lucht in trilling wordt gebracht.

(Slot volgt.)

n iiih mi ii in ui mum HtiiinniiniiiiiH«niiimiiiHiiitiniiiiiiiiHiiiiiHtitiiii«iiiiimn m HniiiiniiiiiiinmiiiHiniim«HH Carl Flesch} Die Kunst des Violinspiels door FELIX TOGNI.

Van bovengenoemd mnesterwerk verscheen de le band bij Ries en Erler en zal binnenkort eene Hollandsche uitgave verschijnen bij de Erven Boon te Haarlem. De Duitsche is een prachtuitgave, groot formaat 170 blz.; met talrijke notenvoorbeelden en photografische afbeel-

Sluiten