Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

149

duizenden andere, zeker ook voor collegia musica bestemde composities uit den a cappella-tijd ? En is 't geloofelijk dat Bach apostelen en priesters en schriftgeleerden deed voorstellen door knaapjes? En, al wordt Bruch's Arminius niet veel meer uitgevoerd, zal men dulden dat daar in 't Romeinsche leger sopraan- en alt-vrouwen meesnoeven: Wir sind des Mars gewalt'ge Söhne? De vervalsching heeft zich tot operarollen uitgestrekt, zelfs nog voor 65 jaren. Zal men toelaten dat Siebel, Marguerite's minnaar, sopraan blijft zingen in Gounod's Faust?

Wij beleven den vooravond van een omwenteling en reiniging, weergaloos in de geschiedenis onzer kunst. Wij zullen op het mannenkorentournooi, gelijk de heer Zwart voorspelt, een psalm van Sweelinck hooren, stellig het eerst den achtstemmigen honderdvijftigsten, waarin zijn beide sopranen a2 halen, zijn alt d2, zijn bas groot f bereikt — volgens Haman's, niet Eitner's bedrognotatie. Veel zal worden onthuld, en zeker ook het monument voor den waarheidziener, die den snoodvernederden Prince der musicijns in luister en eer hersteld aan zijn volk teruggaf. v.W. intiinHiiiiiitiiiniiniiinHiiiHiiniiiiniiiiiiiiiiniiiiuiiHiiiHiiiiiH\iu\miiiiii]iii[]i!ii]i' iiiiiiiiiiiiiiniiii onna

Boekbespreking.

door

WOUTER HUTSCHENRUYTER.

Amedeé Gastoué: La Musique d'EgliseEtudes historiques, esthétiques et pratiques.

Amedeé Gastoué: Le Graduel et 1'Antiphonaire Romains. — Histoire et Description.

D. Lucien David: Méthode pratique du Chant grégorien, selon les principes et la notation de 1'Edition Vaticane.

Mautice Emmanuel: Traité de 1'Accompagnement modal des Psaumes.

Alles uitgaven van de „Editions Musicales Janin", te Oullins (Rhöne.)

N.B. Prijzen niet aangegeven.

Het is voor een oud toonkunstenaar, die gemeend heeft doorkneed te zijn in 't geen men — op theoretisch gebied ~ van hem eischen kan, een heel bizondere gewaarwording zich te verdiepen in leerboeken, die hem iets volstrekt nieuws en onbekends brengen. Dat maakt den mensch nederig en bescheiden, en bewijst hem — voor de zooveelste maal — dat „men nooit te oud is om te leeren." Schumann heeft het mooier gezegd: „Es ist des Lemens kein Ende."

Onnoodig te verzekeren, dat het bestudeeren van deze boeken (met enkel „lezen" steekt men niet veel ervan op 1) mij een groot genot geschonken heeft. Maar, daarnaast mocht ik alweer ervaren, dat de Fransche geleerden, tegenover die van alle andere naties, met eere kunnen bestaan. Dat zij aan kennis, grondigheid, doordachte stelselmatigheid, en helderheid van voorstelling niet licht te overtreffen zijn.

Het is goed dat deze — nu toch wel algemeen aangenomen — waarheid, dikwijls en met nadruk worde herhaald.

Wie zich met deze boeken bezighoudt, moet trachten zich op een bepaald en zeer bizonder standpunt te plaatsen, n.1. dat van den waren, geloovigen katholiek. Want — en dit worde nimmer vergeten! <— zoodra de Katholieke toonkunstenaar zich gaat toeleggen op de kerkmuziek, betreedt hij „eo ipso" het terrein van zijn kerkelijke leerstellingen, waaraan — voor hem — niet te tornen valt.

De andersdenkende, die hem op dat gebied vergezelt, voorzie zich dus van een maximum objectiviteit, en trachte zich te verplaatsen in de denk- en gevoelssfeer van den waren katholiek. Slaagt hij hierin, dan kan hij uit de hier te bespreken boeken heel wat opsteken.

Het eerstgenoemde boek van Gastoué is een schatkamer vol historische bizonderheden. De schrijver is volkomen thuis in zijn onderwerp, beheerscht het ten eenen-

Sluiten