Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

173

gegeneerde voorspelletje. Stellig is hij veelzijdiger; hij verwerkte trouwens heel wat meer, immers gedurig Liszt, Wagner vooral in zijn opera's van vroeger, Brahms typisch in zijn pendaat bij het Schicksalslied, Der Mensch und das Leben, dat nog wel eens mocht worden uitgevoerd, evenals zijn symphonie, zijn ouvertures, strijkkwartetten en pianocomposities. Van het podium is zijn muziek met of spoedig na hem verdwenen. Ook het dankbare violoncelconcert en het aardige vlinderliedje dat indertijd onvermijdelijke vertegenwoordiging van zijn zangen leek, hoort men niet meer. En de noten die hij voor 't eigen instrument schreef, hebben zeker niet zooveel belangstelling als de vingerzettingen en wat in zijn klassiekenuitgaven verder een portret van den speler bewaart.

De vertolker was niet anders als de componist, geen peinzer, geen speurder, geen model van verfijnde keurigheid, ook geen zeer diep en innig teederheidsdichter, maar overigens hoogst intensief voor haast alles ontvankelijk, vurig, en gezegend met de macht om zijn wil triomfaal te verwezenlijken, dus ontzaglijk in het grootsche, geweldig in 't hartstochtelijke, verrukkelijk bekorend in het gracelijke. Zijn verbazende techniek liet een zot sprookje verzinnen en verbreiden: hij zou dagelijks uren besteden aan mechanische manipulaties en onderwijl de couranten lezen. Hij vond een tegenspraak noodig en berichtte: zoo'n dwaas gymnastiseeren helpt niemand, en ik studeer alleen wat ik in 't openbaar zal voordragen. Later deed hij waarschijnlijk ook dat niet: het een en ander was hem uit de vingers, of, zooals wij tegenwoordig verbeteren, uit het hoofd gegaan. Al imponeerde hij toen nog, het is goed dat hij tijdig en vrij tot de keus tusschen scheppen en herscheppen kwam. De geestdriftwekkende pianist d'Albert behoort tot het verleden; de boeiende dramaticus nog lang niet, hopen wij, met den wensch en

gelukkig ook met de verwachting van nieuwe bemoedigende tooneelmuziekervaringen ten onzent. v. W.

iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiw

Het Praatje van de Maand.

Eerst te weinig en dan té veel. Zou het ten onzent weer zóó gaan met de Opera? Verleden jaar immers zaten wij zonder Opera en als het een beetje wil zullen wij er in het volgend seizoen drie hebben. Want er zijn plannen voor een wederopening van een Fransche Opera, er komt een Italiaansche Opera en de „Gast-Opera" onder leiding van de Heeren Cornelis Bronsgeest en Dr. de Koos zal in het najaar haar thans geëindigde werkzaamheden weer voortzetten. Het zal dan net zoo gaan als met het Tooneel in ons landje. Bijna alle gezelschappen zijn noodlijdend en desniettegenstaande komen er voortdurend nieuwe combinaties bij, zoodat ik me af en toe wel eens afvraag: zij klagen wel allemaal steen en been, maar... zou dat baantje van tooneeldirecteur wel zoo slecht zijn als het ons altijd afgeschilderd wordt?

Trouwens, in alle opzichten is het heden ten dage vreemd; iedereen spreekt over de groote, zéér groote moeilijkheden waarin wij allen verkeeren en tevens veroorlooft iedereen zich veel meer dan ooit vroeger toen er rust en welvaart heerschte. Hoe dikwijls bijvoorbeeld is het Berlijnsche Philharmonische Orkest al niet in nood geweest! En wat hooren wij thans: dat het Orkest onder leiding van Wilhelm Furtwangler een groote reis gaat maken, door Noord-Duitschland, door het bezette gebied en door Zwitserland. Als men nu eens even bedenken wil, hoe groot reis- en verblijfkosten voor een tachtig menschen per dag zijn, dan rijst toch vanzelf de vraag wie dat betalen moet, waar het geld vandaan komt....

In ons land gaat het seizoen zoetjes aan eindigen; de concertzalen gaan over drie weken weer dicht, nadat ze zeven maan-

Sluiten