Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

181

velen? Als men U zegt, dat de steun van Uw woord een steun voor het leven, en de kracht van Uw leiding een kracht voor immer werd ? Als men U zegt, dat Uw onderricht daarom zoo bevruchtend werd, omdat het dat van een kunstenaar was? Dat uw inzicht ook onzen blik verruimde, een enkele opmerking soms een wonder deed, omdat Uw woord levend was en U van de doode letter een afschuw hadt?

De vorming van een jong talent in den wijderen zin, door hartstochtelijk te wijzen op echte schoonheid, en de jonge ziel even hartstochtelijk af te wenden van wat U onecht, onedel, onwaardig toescheen, dit opbouwende werk had wel meer Uw groote belangstelling dan het meer beperkte deel der muziek-theoretische paedagogie, dat tot taak heeft, harmoniekennis bij te brengen aan dikwijls daartoe zoo weinig-begaafden. Maar ook daarbij bleef Uw goed hart en Uw geduld meester over de beproeving, die het zijn moest, een in Uw oog haast nutteloos werk tóch te moeten verrichten.

Uw oordeel was breed, maar kon zeer scherp zijn, en het bevatte dan dikwijls een nooit kwetsende, maar zeer voelbare ironie. Ik herinner mij nog, hoe U een jonge componiste, die enkele sombere, hevig aan Weltschmerz lijdende liederen had geschreven, na een dier liederen te hebben doorgespeeld, toesprak met de woorden: „Lief kind, nu heb je zulke schitterende, heldere kijkers, en zulke blozende wangen, waarom schrijf je nu altijd van die muziek, alsof je heele familie groen haar heeft gekregen?" En dan was er nog eens een jong componist met heele lange haren, die Heine's „Madchen mit dem roten Mündchen" tot liedtekst had genomen, en dit gedichtje van een muziek had voorzien, waarbij hooren en zien verging. U zeide na het doorspelen niets, maar stond op, en ging iets zoeken in de muziekkast. Het duurde den jongen man oneindig lang. Ik geloof, dat U langer zocht dan noodig was, om de spanning wat te verhoogen. Eindelijk ging U naar den

vleugel terug met een plechtstatig gezicht en een bundel liederen onder den arm. Toen U den jongen man de fijne compositie van Robert Franz op hetzelfde gedicht had laten hooren, waarbij de jongen al een hoofd als vuur kreeg, omdat zijn mistasten hem duidelijk werd, zeide U alleen : „Wees nu maar stil, want ik zal aan niemand zeggen, dat je 't gedaan hebt!' Mag ik nog eens een geval ophalen, waarin ik de held — en welk een! — was ? Ik had eens een orgelfantasie geschreven. Die zou in een of andere verzameling gedrukt worden, maar ik wilde het toch maar eerst eens laten zien. Ik was er nogal tevreden over, er kwam een fuga met allerlei combinaties in maar.... ik merkte het al na een halve bladzijde: U vondt het een vervelend geknutsel. U speelde, en onderbrak bijna ieder paar maten door een vervaarlijk gehoest en gesnuit — dat was altijd al een onmiskenbaar teeken van naderende afkeuring! — tot er ten slotte kwam: „voor wie is dat moois, is dat voor je meissie?" (Niet „meisje", want dat zou nog te vleiend geklonken hebben!) Ik keek zeker wel wat beduusd, immers, het was niet voor mijn meisje, ik had nog niet eens een meisje; het „moois" was voor een kerkelijk orgelalbum bedoeld, en zou gedrukt worden. Dat laatste zei ik toen maar niet meer, en ik heb het gelukkig ook maar niet laten doen! „Ja, ja," heette het dan, „nu vin-je die Zweers een ouwe schoolmeester, een vervelende pruik, maar laat dat stuk nu eens een paar maanden in de kast liggen, en bekijk het dan nog maar eens. Misschienzeg-je dan wel: die ouwe Zweers had toch wel gelijk."

En nu genoeg oude herinneringen opgehaald. Deze verjaarsbrief wordt te lang. Maar ik zou hem niet willen eindigen, als ik U niet gezegd had, hoe wij in U niet alleen den leermeester, maar vooral ook later, ook den toondichter vereerden. Over dit deel van Uwen geestelijken arbeid zullen waarschijnlijk veel anderen objectiever

Sluiten