Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

184

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

schat van kracht en schoonheid, een rijkdom voor hun leven!

HENRIETTE VAN HEUKELOM-

VAN DEN BRANDELER.

Bilthoven, 3 Mei 1924.

# * *

Mijn kennismaking met Zweers.

Hetgeen hieronder volgt, heb ik lang (misschien wel dertig jaren) geleden verteld in het, sinds verdwenen, tijdschrift Woord en Beeld.

Bij deze gelegenheid mag het echter zeker nog wel eens herhaald worden; het zal door de jongeren zonder twijfel met hetzelfde vermaak worden gelezen, als door het vorige geslacht, en 't zal tevens een kant van 't karakter van Zweers, zijn zin voor drastische, „epateerende" grappen scherp belichten.

Het gebeurde te Leiden, bij gelegenheid van de jaarvergadering der Ned. Toonkunstenaars Vereeniging. Nicolai, vol jeugdig vuur, was Voorzitter, Gottfried Mann, nog niet aangetast door de ziekte die hem zoo vroeg zou sloopen, de ziel van het aan de vergadering verbonden muziekfeest. Het programma bevatte van Zweers, de tweede symphonie, van mij een concert-ouverture.

Het verloop van den dag was als gewoonlijk : 's morgens de Algemeene Repetitie (Zweers was daar niet tegenwoordig), 's middags de Vergadering, daarna een gezamenlijk middagmaal, als besluit het concert in de (oude, kleine, later verbrande) Stads-Gehoorzaal.

Kort voor wij aan tafel gingen komt Zweers in ons midden; ik laat mij aan hem voorstellen, maar moet al gauw wijken voor anderen die hem ook met hartelijke handdrukken willen begroeten. Aan tafel zaten we niet dicht genoeg bij elkaar, om een gesprek te kunnen voeren, maar toen wij tegelijk naar boven gingen om ons voor 't Concert te kleeden, greep ik de gelegenheid aan om Zweers te zeggen met hoeveel genoegen ik met hem, en niet

minder — in de repetitie — met zijn Symphonie heb kennisgemaakt.

Zweers hoort mij aan, en op zijn gezicht komt die eigenaardige uitdrukking (die mij later nooit meer foppen zou, want ik heb leeren inzien dat zij 't masker is waarachter de schalk zich verbergt) die ik toen hield voor pedante „überlegenheit." Een oogenblik stilte, en toen zijn antwoord: „Mijnheer, ik heb uwe Ouverture nog niet gehoord, maar ik weet, mijne Symphonie staat hooger."

Ik had nog al staaltjes van kunstenaarsverwaandheid ondervonden, maar dit leek mij toch wel het toppunt. Ik was gebluft!

Vermoedelijk heb ik een heel onnoozel gezicht gezet, want Zweers keek mij nog even aan en barstte in lachen uit; toen hij een weinig bedaard was, zei hij met zijn oolijksten blik: „natuurlijk! want uw „Ouverture staat in D, en mijne Symphonie in Es!"

WOUTER HUTSCHENRUYTER. * * *

„Lamme noot, niet jij „de Baas," ik „de Baas."

Dat was één dier teekenachtige gezegden van Zweers op de les, als je erg geworsteld hadt, om een moeilijkheid onder de knie te krijgen.

„Ik erkèn het, 't ïs zwaar," zei hij óók wel eens.

„Je moet zóó leeren werken, dat een beunhaas, als hij een compositie van je onder de oogen krijgt, een beetje geringschattend zegt: „wel, dat kan ik óók." Maar... dan kan hij 't nog niet."

(Dit laatste zinnetje vergezeld van dat blij triomfantelijke in zijn oogen, het veelbeteekenend optrekken der wenkbrauwen.)

„Een kunstenaar is een naturenaar."

Dat zei hij meermalen.

Deze en andere uitspraken heb ik in mijn hart bewaard, want daarmede — en niet alléén daarmede — heeft Zweers ge-

Sluiten