Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

gekost, dat het ten slotte ook lang niet iedereen convenieerde.

De statistiek dezer dagen door de Telegraaf gepubliceerd, toont duidelijk aan dat het bezoek aan Schouwburgen, concertzalen, bioscopen en tingel-tangels, vergeleken bij het vorige jaar niet onbeduidend achteruit geloopen is. Blijft het afnemen dan zullen ondernemers van concerten, Opera's en allerlei vermakelijkheden daar toch mee rekening dienen te houden. En nu integendeel, gaan zij maar door in een tempo, alsof de animo om uit te gaan nimmer grooter geweest is!

In elk geval: de Italiaansche Operastagione is niet naar wensch geslaagd; daarentegen is de tocht van het Concertgebouw-orkest met het Amsterdamsche Toonkunstkoor, het jongenskoor van Den Hertog en een aantal solisten naar Parijs een volledig succes geweest voor allen die er aan deel genomen hebben, natuurlijk niet het minst voor den grooten leider van dit leger: Willem Mengelberg, die de Franschen terdege geïmponeerd heeft met uitvoeringen van de Matthaus-Passion, van Beethoven's negende Symphonie, met het schoone Requiem van Gabriëi Faure. Muzikaal zijn er zonder twijfel fameuse dingen gepresteerd, maar ook op ander gebied is er werk geleverd dat bewonderenswaardig heeten mag. Wat al voorbereiding is er noodig geweest, hoeveel weken moet er rusteloos gewerkt zijn, hoeveel offervaardigheid moet er gegeven zijn om dezen tocht zoo te doen slagen. Want men moet er eens even over denken wat het beteekent om een vijfhonderd menschen die allen hun wenschen en verlangens hebben, een week lang van Amsterdam naar Parijs over te plaatsen; en als men dan van medereizigers eenstemmig hoort, dat het niemand ook maar aan het kleinste ontbroken heeft, dat de goede orde geen moment verstoord is geworden, dan begrijpt men dat zij die met de organisatie van den tocht belast

geweest zijn, iets buitengewoons gepresteerd hebben!

Van een tweede succes moet nog melding gemaakt worden: van het feest van Bernard Zweers, dat in alle opzichten zeer naar wensch geslaagd is. Men zal natuurlijk in de Dagbladen al gelezen hebben dat Minister de Visser den kunstenaar toegesproken en hem de Orde van den Nederlandschen Leeuw aangeboden heeft; dat de burgemeester van Amsterdam, de heer De Vlugt, Zweers is komen verrassen met de groote gouden medaille van de stad Amsterdam, een onderscheiding die welhaast met het eereburgerschap gelijk te stellen is, dat de heer De Booy, hoofdadministrateur van het Concertgebouw medegedeeld heeft dat Zweers' naam in de groote concertzaal van het Gebouw geplaatst zal worden; ben ik wel ingelicht dan zal Rubinstein's naam van den muur verdwijnen, die van den componist van „Aan mijn Vaderland" ervoor in de plaats kamen. Een paar dagen na de terugkomst van het orkest uit de Fransche hoofdstad — Zondag 1 Juni — is de groote symphonie in een Volksconcert ten gehoore gebracht; een herhaling in het begin van het nieuwe seizoen is aangekondigd. Zoodat wij met voldoening mogen verklaren dat iedereen in de weer geweest is, Zweers op zijn zeventigsten geboortedag, de hulde te brengen waarop hij als grondlegger van onze muziek recht heeft.

Wat wij zoo lang al hadden hooren fluisteren is nu gebeurd: Julius Röntgen, die ook de zeventig nadert, zal zijn taak als directeur van het Conservatorium voor Muziek te Amsterdam neerleggen. Niemand minder dan Willem Kes heeft nog niet zoo lang geleden gesproken van de achterlijkheid van de Nederlandsche muziekscholen, een uitspraak waaraan men geen waarde gehecht heeft, om de eenvoudige reden dat Kes — die al bijna dertig jaar ons land uit is — volstrekt niet op de hoogte kon zijn van het in Nederland

Sluiten