Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

220

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Paul Rougnon: Sans Soaci! Caprice pour Piano. Pr. frcs. 1.50.

Louis Maingueneau: Ninon de Linclos, Drame lyrique. No. 7 Sarabande pour Piano (arrangement). Pr. frcs. 1.75,

Ernest Moret: Chansons des beaux Soirs, Six morceaux pour Piano.

No. 3. Berceuse pour la fin d'un beau. jour. Pr. net. frcs. 1.75.

No. 4. Venezia! Pr. net. 1.75.

Alle hierboven genoemde werken uitgegeven: Au Ménestrel (Heugel et Cie.) Paris.

In zijn „Rythmes de Danse". legt Dalcroze den spelers een zeer eigenaardige en lang niet gemakkelijke taak op. Hij verlangt, dat in al deze vierentwintig stukken, de achtste noot onwrikbaar „teleenheid" blijve, d.w.z. wanneer de eerste twee kwarten van een maat in twee achtsten, de derde in „triolen" is verdeeld, moeten deze laatste in dezelfde beweging als de achtsten worden gespeeld. De maat bevat dus zeven achtsten, alle even lang, en verdeeld: 2 + 2 + 3. Dat systeem past de componist bij voortduring toe, en hij verkrijgt daardoor de meest ongewone, vaak uiterst zonderlinge rythmische combinaties. Voeg daarbij zijn vreemde, dikwijls zeer „gewaagde" harmoniseeringen, en gij zult begrijpen dat ons hier iets zeer zeldzaams geboden wordt.

„Mooi" zijn ze niet alle, die stukken! Integendeel, vaak hoekig en hard. Maar steeds belangwekkend, en — vóór alles! ~uitnemend geschikt voor oefening in de rythmiek.

„Als „lees"-oefeningen voor meer gevorderde leerlingen lijken mij die stukken van onschatbaar nut.

Hetzelfde kan worden gezegd van de Etudes Miniatures. Speelt men echter veel van die stukken achtereen, dan begint het „gewilde" van al die ongewone en onnatuurlijke rythmen geweldig te hinderen.

De Etudes van Dubois zijn opgedragen aan zijn „chère petite Alle". Mochten meer

grootpapa's zich geroepen achten, zooiets voor hun kleindochtertjes te schrijven I Het zijn allerliefste, smaakvolle karakterstukjes ; zij streven alle een bepaald technisch doel na, en — dit acht ik 't voornaamste! — zullen zeker studielust en ijver bij de leerlingen bevorderen. Ik zou ze willen vergelijken met de zoo geliefde études van Burgmüller, maar natuurlijk zijn zij in een meer modern kleed gestoken. Collega's die hun (werkelijk muzikale) leerlingen een genoegen willen bereiden, moeten hun deze studies te spelen geven.

Het fragment uit Antar van Dupont is genomen uit de balletmuziek van dat werk; het is dus een gearrangeerd orkeststuk en kan uit den aard der zaak — slechts bij benadering de bedoelingen van den auteur weergeven. Er spreekt een geprononceerd (maar zeer „gewild") orientalisme uit: eentonige rythmen, hardnekkig volgehouden basfiguren, melodiën met veel gealtereerde (niet steeds natuurlijk klinkende) intervallen. Daar het stuk bovendien zeer lang, en niet gemakkelijk te spelen is, durf ik het als „pianostuk" geen groote populariteit voorspellen.

Het „Interlude" uit Gismonda van Février is eveneens oorspronkelijk voor orkest geschreven. Veel „gewoner" van melodische lijn en van harmoniseering, daarbij een tikje sentimenteel, zal 't allicht aan mindereischenden op muzikaal gebied, genoegen verschaffen.

De „ Gaillarde'' van Moret imiteert op gelukkige wijs den achttiende-eeuwschen stijl, en zal — met krachtigen aanslag gespeeld — ook als pianostuk wel effect maken.

Paul Rougnon geeft met zijn Sans Souci den kleintjes een allergenoeglijkst geschenk. Het stukje — in 't karakter van een tarantelle — zal menigen muzikalen

dreumes in verrukking brengen. Maar

hij moet handig zijn, en zonder haperen kunnen doorspelen

Maingueneau imiteert in zijn Sarabande — natuurlijk — ook den ouden stijl.

Sluiten