Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

24!

brengen tot de klassieken. Hoe diep hij ook doordrongen was van de artistieke waarde der klassieke en vóór-klassieke muziek, hij beschouwde ze niet als 'n soort zeldzame antiquiteit, en als zoodanig uit te voeren, maar als levende kunst, die dient geïnterpreteerd te worden in den geest van onzen tijd.

Gesteld, zegt hij, dat het mogelijk zou zijn al de gebruikelijke instrumenten der 17e en 18-eeuwers te laten bespelen, dan blijft het nog te bezien welk effect zulks op een publiek der XXe eeuw zou uitoefenen. Om een bevredigend succes te bereiken, zou men dan ook de macht moeten bezitten het wonder te verrichten om de toehoorders van onzen tijd bij tooverslag in een auditorium van 1730 te veranderen, met al zijn muzikale gewoonten en tradities, dat betreffende klankvolume, accuraat spel, finesses en nuances, niet zeer hooge eischen stelde.... Bedenk eens, welk effect zou in onze groote concertzalen het Weihnachts-oratorium (om niet eens te spreken van de Matthauspassion) te weeg brengen, gegeven met een uitvoerderspersoneel, waarmee Bach zich moest tevredenstellen: 21 instrumentisten, 12 zangers, te zamen 33 executanten.

Op het gebied der muziek, gaat Gevaert voort, is het geheel onmogelijk af te zien van de vorderingen, die zich sinds een eeuw naar aanleiding van het gedurig groeien van het orkest, der mechanische vervolmaking der blaasinstrumenten (waardoor zij toonzuiver werden), naar aanleiding ook der bij onze orkestmusici algemeene virtuoze vorming ontwikkeldhebben: vooruitgang, dien wij aan de meesterwerken uit het verleden moeten laten ten goede komen, wanneer wij hun grandioos karakter, het schilderachtig coloriet hunner instrumenteering, hunne wondervolle polyphonie in het volle licht willen zetten. Anders handelen, zou dienen om ze onverstaanbaar te maken voor het publiek en ze in hun oogen te discrediteeren. Men

heeft slechts het recht hun roemrijken slaap le storen, wanneer men ze in hun vollen glans toont en hen aldus de bewondering der menigte verzekert. Zoo men er aan twijfelt zulks te bereiken, dan is het beste bewijs van achting en eerbied dat men hun gunnen kan, om ze in vrede te laten rusten.1)

In den zin, in deze lezing aangegeven en verdedigd, heeft Gevaert enorm veel gedaan, om door historische concerten het Brusselsche publiek op te voeden. Ook is de paedagogische invloed die hier van uitging op de andere muzikale centra van België, niet te onderschatten.

Ondanks deze kennelijke voorliefde voor de oudere kunstwerken, was Gevaert niet wat men noemt een pruik. Hij stond evenzeer sympathiek tegenover de evolueerende kunstbewegingen van zijn tijd.

„Hij is tegelijk een toonkunstenaar van heden, van gisteren en van altijd" schreef Ernest Closson van hem. Hoe vervuld hij ook was van de antieke muziek, hoezeer Bach, Gluck en Beethoven zijne lievelingmeesters waren, als grijsaard dirigeerde hij de symphonie van César Franck, en waagde het eerst een onverkorte uitvoering op het podium van Wagner's Rheingold.

„Niets geeft ons het recht, schreef hij toen hij 77 jaar oud was, om te vermoeden dat de atmosfeer der XXe eeuw aan het muzikale genie de lucht tot ademen niet meer zal gunnen; de wonderen die de beide vorige eeuwen in vervulling zagen komen, kunnen zich ook nu herhalen, en het is onze plicht, hunne voltrekking niet door mangel aan geloof en goeden wil in den weg te staan."

Hoe Gevaert stond tegenover de Vlaamsche muziek — het ideaal van Benoit om

l) Ten onrechte zou men hieruit kunnen opmaken dat Gevaert steeds modernisatie der orkestmuziek van oude meesters voorstond. In een debat over de mogelijkheid om Bach's trompetpartijen uit te voeren zeide hij droogjes: een quaestie van mondstuk en studeeren. v* W.

Sluiten