Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

265

al deze uwe compositorische deugden opgegaan bij het aanhooren en beoordeelen van vele uwer liederen, van het KlavierTrio in d-moll op. 18, van de Nocturne voor Klein orkest. Toonstukken, in welke ge u stellig een musicus van gezag, een degelijk onderlegd knap toonkunstenaar toont. Een man kortom, die de wetenschappelijke en praktische zijde van uwe talenten perfect meester zijt. Aan den opbouw dezer werken hebt ge daarenboven naar best vermogen getracht een scherp, ja uw eigen persoonlijk karakter te geven.

Ge „tikt", als collega-criticus, in de „Nieuwe Rotterdamsche Courant" zelf zoo menigeen op de vingers, dat hij of zij bij het componeeren niet het oor te luisteren legt aan de „stem" der veranderde muzikale „tijden". Ge hebt daartoe het volste recht, want zelf geeft ge het voortreffelijke voorbeeld. Zelf immers hebt ge die gewijzigde geestes-stroomingen der laatste jaren maar al te wèl duidelijk gadegeslagen en beluisterd. Uw muziek getuigt, dat ge volop man van den „tegenwoordigen" tijd zijt; geheel — naar behooren! — met uw tijd als kunstenaar-componist meeleeft.

Moogt ge ook een man van den „komenden" tijd zijn! En geve de inspiratie u bovendien op gelukkige wegen, welke naar het „goud" voeren, nog veel meer schoons in! * * *

En hier is een brief van een Haagsch collega:

Zeer geachte heer Landré,

U jubileert. Laat mij langs dezen weg U even mijn welgemeende gelukwenschen aanbieden. Ik had niet vaak het voorrecht U te ontmoeten. De zeldzame malen dat wij eenige woorden wisselden, blijven mij echter als een sympathieke herinnering bij. Toen ik U, een paar jaar geleden, voor den eersten keer ontmoette, verheugde het mij weer eens een menschelijk gelaat te zien, een gezicht zonder grijns¬

lach, ook heelemaal niet in de plooi, niets gewichtig, maar eenvoudig en oprecht. En wat ik zoo zeer waardeer in U als criticus, is, dat U steeds objectief blijft staan tegenover hetgeen U te critiseeren hebt, dat is niet alleen een zeldzame gave, maar tevens een bewijs van Uw moreel hoogstaand karakter. Hoe hoog ik U plaats als kunstenaar, als scheppend musicus, daarover hebt U misschien wel eens iets gelezen in mijn recensies over uw composities. Ziedaar, geachte heer Landré, de opinie van mijn persoontje over U, als mensch en kunstenaar, meening, welke naar ik hoop, U niet al te onbelangrijk mag voorkomen. Ik ben den heer Van Westrheene in ieder geval dankbaar, mij in de gelegenheid te hebben gesteld een sympathieken collega, die tevens een waarachtig artist en kundig beoordeelaar is, openlijk mijn hulde te brengen.

Nog vele jaren, zoowel voor de Hollandsche kunstenaarswereld als voor de critiek.

Cordialement a vous,

HENRY DE GROOT. * * *

A. de Wal van Het Vaderland: Waarde Collega,

Hierbij mijn collegiale jubileumsgroet! Den eersten October van dit jaar hebt ge een kwarteeuw lang „copie geleverd" voor de naar zwart druksel verlangende, nog maagdelijke blanke kolommen van dagblad of tijdschrift. Niet alleen die kolommen, maar ook wie ze verslonden, zijn er u dankbaar voor. Sedert ge van de Oprechte Haarlemmer, via de Nieuwe Courant naar de Nieuwe Rotterdamsche Courant verhuisdet, zijt ge de „oprechte Haarlemmer" musicus gebleven. Gij hebt den heetenhonger van de kranten-wielende persen gestild met het beste geestelijk voedsel, dat in u gerijpt was. In de Pers, voorloopig nog niet onttroonde Koningin der aarde, hebt gij uw plaats in de eerste rij harer dienaren gehandhaafd. Dat uw compositieader in-

Sluiten