Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

267

recensent Willem Landré, zelf de functie aanvaard als muziekredacteur aan de „Oprechte Haarlemsche Courant", het blad waaraan Landré nu dag op dag vijf-entwintig jaar geleden zijne journalistieke loopbaan begon. Met dit verschil van 25 jaren aan dezelfde krant, houdt echter de vergelijking op; Willem Landré gaf toen in de „Oprechte" de eerste proeven van zijn talent als muziekbeoordeelaar, terwijl ik al eenige jaren diensttijd aan een ander blad achter den rug heb. Het toeval geeft mij hier niettemin een dubbelen prikkel om mijn hooggeëerden voorganger aan de „Oprechte" op zijn zilveren recensentenjubileum van harte geluk te wenschen, te meer omdat het hier Willem Landré geldt, die als verslaggever van de Rotterdammer, voor zichzelve en voor zijn blad in den lande gezag heeft veroverd, die de vakkritiek op hoog peil heeft weten te brengen en alzoo het grootste vertrouwen geniet.

Wat Landré tot dien gezaghebbenden kritikus gemaakt heeft, zijn, buiten zijne artistieke bekwaamheden, voorzeker ook zijne voortreffelijke eigenschappen als mensch, vooral die welke den optimist kenmerken en hem toegankelijk maken om het goede te waardeeren waar het eenigzins aanwezig is. Ongetwijfelt schuilt hierin het geheim voor den kriticus om eeuwig frisch te blijven. Gelukkig hij die deze gave bezit.

En dat hij die niet uit ervaring of routine heeft, maar dat Moeder Natuur ze hun meegegeven heeft en hem dus tot een gewenscht kunstbeoordeelaar voorbestemde, kon ik opmaken uit de eerste kritieken die ik in de „Oprechte" van October 1899 van hem vond.

't Was 'n heele opzoekerij in die oude .— op de Haarlemsche Stadsbibliotheek — goed bewaarde kranten, te meer daar geen enkel der artikels onderteekend is. Doch als de datum zijner indiensttreding bij de „Oprechte" klopt, dan moeten toch de recensies van Landré's hand zijn.

Erg kritisch zijn ze niet gesteld; het eenige wat ze in negatieven zin aangeven, zijn b.v., bij de bespreking van een concert van Messchaert's „A Cappella-Koor", het te lange programma dat van 't goede te veel gaf, of een vriendelijk standje aan het feestvierende „Doopsgezind Zangkoor", dat zijn concert 20 minuten over den aangekondigden tijd liet aanvangen.

Naar aanleiding van een buitengewoon concert van het orkest van de Scala van Milaan, onder directie van Pietro Mascagni, schreef de jonge verslaggever een artikel, dat laat doorschemeren, dat de Italianen hem het vuur aan de schenen gelegd hebben en dat hun bravour hem enthousiast gestemd heeft.

Zoo is Willem Landré dan voorzichtig van wal gestoken, niet met 'n „léf" en een grootdoenerij van jeugdigen onbesuisden overmoed, maar warmhartig en waardeerend, tegemoetkomend en opbouwend.

Ervaring en bewustwording van eigen artistieke rijpheid zullen van lieverlede zijne eischen wel hooger zijn gaan stellen, maar de gezonde optimist bleef hij.

Moge hij met zijne natuurlijke en verworven gaven nog lang leiding geven aan het Nederlandsch muziekleven.

* * *

En dan heb ik een brief, niet aan jou maar aan mij, van je collega van de Prov. Geldersche en Nijmeegsche:

Waarde Heer van Westrheene,

U hebt èn schriftelijk èn mondeling zóó bij mij aangedrongen, eenige woorden te schrijven naar aanleiding van het vijf-entwintig-jarig jubileum, dat men mijn broer Willem wil laten vieren, dat ik heb moeten zwichten en mijne principes over boord gooien! Maar wat zal ik nu eigenlijk schrijven ? Zal ik verklappen, dat Willem reeds véél langer dan eene kwarteeuw aan het recensies schrijven is, ja werkelijk, het is waar, al schudt U ongeloovig het

Sluiten