Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILÏA EN HET MUZIEKCOLLEGE

273

Nederlandsche Toonkunstenaars-Vereeniging

OFFICIEEL ORGAAN

Personalia,

Martinus Willem Petri f 1853-1924. In Memoriam

Wij hebben hem Zaterdag 13 September ten grave geleid en daar werden oprechte en hartelijke woorden gesproken om te getuigen van de droefheid die ons bezielt nu de begaafde paedagoog, de zorgvuldige schatbewaarder en de trouwe vriend voor goed van ons is heengegaan. Maar er is ook uiting gegeven aan de groote dankbaarheid die men gevoelt voor alles wat Petri in het belang van onze kunst en niet minder voor hetgeen hij in het belang van zijn collega's, die hem zoo groote vriendschap en hoogachting toedroegen, heeft gedaan. Wij leden der Ned. Toonkunstenaarsvereeniging gevoelen dit verlies heel sterk, want hij, die van de oprichting dezer Vereeniging (in 1875) af, dus bijna 50 jaren, eerst als lid en later als bestuurslid en penningmeester de belangen der kunstenaars met geheel zijn hart, met groote toewijding en onverflauwde werkkracht heeft voorgestaan, laat een groote leegte achter.

Wanneer wij spreken van onvermoeide werkkracht slaat dit op zijn geheelen levensgang, ook toen hij nog in zijn leerjaren onderwijs genoot van C. Coenen (viool), P. R. Bekker (piano) en later van Richard Hol.

Op 19-jarigen leeftijd werd hij reeds leeraar aan de Zangschool van de Maatschappij t. b. d. Toonkunst te Utrecht, die later tot Muziekschool werd uitgebreid. Ook was hij le hoboïst bij de Utrechtsche Symphonie-concerten onder Richard Hol.

In 1896 richtte hij met zijn broeder Willem de „Utrechtsche Muziekschool" op. Bovendien was hij jarenlang dirigent van de „Studenten-zangvereeniging" te Utrecht. Te Amersfoort heeft hij tot kort voor zijn dood de afdeelings-zangvereeniging en de Muziekschool der Maatschappij t. b. d. Toonkunst gedirigeerd.

Aan beide muziekscholen heeft Petri tal van leerlingen opgeleid voor vakstudie en voor al deze later gediplomeerden was hij de meest zorgvuldige en nauwgezette leer¬

meester, de vaderlijke raadsman en vriend. Zeer vele leerlingen en oud-leerlingen waren dan ook opgekomen om hun vereerden leeraar en vriend een laatsten groet te brengen.

Het is mij vooral eene behoefte in dit orgaan eenige woorden aan zijn nagedachtenis te wijden, want bijna 50 jaren, sedert de oprichting der Ned. Toonk. Vereeniging, waren wij met elkaar bevriend; wij hebben dus de geheele levensgeschiedenis der N. T V. kunnen medeleven.

In de periode van hare oprichting was de positie van de musici in ons land nog niet zoo zelfstandig als thans en toen werd dringend de behoefte gevoeld aan eene vereeniging van toonkunstenaars, die voor hunne belangen en rechten konden opkomen en die tevens de belangen der toonkunst met geheel hun hart zouden dienen.

Bij de eerste jaarvergaderingen bleek het reeds dat Petri niet alleen voor de artistieke, maar ook voor de materieele belangen onzer kunstenaars met kracht kon opkomen. Daarbij frappeerde zijn heldere kijk op finantieele vraagstukken. Bij de discussies over de financiën was het altijd Petri die de voorstellen, wanneer hij het er niet mede eens was, amendeerde of bestreed; doch hij debatteerde altijd in opbouwenden geest.

Het is dus niet te verwonderen dat, toen in 1892 de penningmeester de heer W. Stumpff wenschte af te treden, Petri door de geheele vergadering tot zijn opvolger werd benoemd en steeds heeft onze vereeniging alle reden gehad zichzelf geluk te wenschen met zulk een penningmeester. Met hoeveel zorg was hij er altijd op bedacht de gelden zoo uit te zetten, dat het kapitaal steeds toenam. Hij wist eene zuinigheid te betrachten die nooit ontaardde in kleinzielige bekrompenheid. Hij was zuinig om — als het noodig was — royaal te kunnen zijn wanneer de vereeniging eens goed voor den dag moest komen, hetzij door uitvoeringen van werken van landgenooten, of door een herinneringsfeest ; dan was hij er altijd voor dit goed en ruim op te vatten. Bij het

Sluiten