Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

11

voor 't hoofdbestuur der Maatschappij, wier dukatenpremie niet karig werd toebedeeld.

Na het eindigen van mijn Caecilia-correspondentschap (in 1902) kwam ik zelden te Zutphen, een paar malen voor premières van zijn sindsdien in verscheidene plaatsen, ook in Arnhem opgevoerde kindertooneelsprookjes. Hij reisde veel meer dan ik, want hij had arbeidsterrein te Lochem en Brummen, van 1898 tot 1905 te Tiel, waar hij zijn vrouw kreeg — hij heeft er met de zangvereeniging die Sem Dresden naderhand een poos leidde Neuville's Les Willis in ons land voorgesteld en sedert 1901 ook een mannenkoor gedirigeerd; jaren later, al lang in Arnhem gevestigd, ontwikkelde hij te Dieren een buitengewoon goed vocaal ensemble, dreef in Amsterdam zijn deel der zaken van den Nieuwen Muziekhandel, waaraan hij coöperatie poogde te verbinden van componisten, die hun eigen uitgevers zouden wezen, en liet te Zutphen de Wijnhuistoren-Hemony's klinken, trouw aan de beiaardierstraditie van zijn vader, grootvader en overgrootvader.

Zijn Arnhemsche bezigheden begonnen bij de zangvereeniging Halleluja, die hem in de Groote Kerk, waar men naderhand de concerten beperkte tot die van den organist, een uitvoeringenreeks van beteekenis hielp verschaffen, daaronder vertolkingen van Saul, Judas Maccabaeus, Josua volgens Chrysander's ongetwijfeld verdienstelijke herstellingen en min of meer bedenkelijke gissingen en wijzigingen, en een kennismaking met Bungert's allicht niet onsterfelijk maar geenszins onmerkwaardig mysterium. Dat er in de mannenkoorliteratuur degelijke, bovendien geestige stukken van Bungert zijn en haast klassieke van Loewe, bewezen door hem twee toen tot een fusie gekomen corporaties (Kunst na Arbeid en Arnhem's Mannenkoor) waarmee hij telkens een speciaal programma gaf, ook een aan zijn familie

wijdend en een aan de componisten ter plaatse.

Zijn genootschapswerk bleef overigens niet enkel executantentaak. De belangen der Algemeene Toonkunstenaarsvereeniging, wier orgaan vroeger door hem was geredigeerd, behartigde hij jaren als haar afdeelingsvoorzitter. De Nederlandsche Toonkunstenaarsvereeniging zonder het praedicaat Algemeene koos hem in hare examencommissies. Hij werd een sterke bindende kracht in een toch niet op den duur aaneengehouden Arnhemschen Kring, die voor kunstbeoefenden gedachtenwisselings- en gezelligheidsavonden met muziek, reciet, tooneelspel, dans (ook van Gertrud Leistekow), bezichtiging van teekeningen etsen, boetseerwerk, en verder zomerexcursies en lectuur van een eigen artistiek tijdschriftje had.

Daarentegen bood hij dikwijls een uitvoering waaraan geen genootschap deelnam, soms, maar in lang niet meer, als organist — hij was 't een poos bij de Doopsgezinden — verscheidene malen, en ook in lateren tijd, als dirigent en als leeraar. Van zijn sprookjes heb ik al gerept ; eer ik er op terugkom moet ik nog even van zijn andere mij bekende composities gewagen, ofschoon die juist wel door vereenigingen werden gegeven. Enkele werkjes van hem, die Letzer noemt, Oud-Nederlandsche volksliedjes, kinderliederen, een bekroond gemengd koor „Komen en gaan", een Kerstzang voor mannenstemmen, ken ik niet, behalve dan een paar heel aardige stukjes voor de jeugd. Maar opmerkelijke koraalzettingen en een in vrijen, wisselenden, toch eenheidvormenden stijl gebouwd, vreugderijk motet over Lukas II, 8 en 14 heb ik van Halleluja gehoord: van Arnhem's Mannenkoor een door personentypeering en lief slot aantrekkelijke behandeling van Victor de la Montagne's De Deerne; bij Kunst na Arbeid drie sololiederen, meestal voor mij zeer waar getuigende verklankingen

Sluiten