Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

Het Praatje van de maand,

Urlus, onze groote zanger die zooveel jaren de roem van de Nederlandsche zangkunst in heel de wereld verkondigd heeft, Urlus heeft gejubileerd, zijn dertigjarig zangerschap herdacht te Amsterdam, te 's-Gravenhage en te Rotterdam. In laatstgenoemde stad als Lohengrin met de „Co-Opera-tie". Het spijt me wel, maar ik heb het geen feestavond kunnen vinden; er is voor prettig optimisme te weinig plaats geweest. Zeker, Urlus was fameus, zong met een brio en een glans welke de jongeren hem benijden kunnen; hij toonde zich in alle opzichten de groote Operakunstenaar die het vak volkomen kent, die het daarginds, waar de Opera's kunstinstellingen zijn, geleerd heeft; bloemen, kransen en een mooie toespraak van een lid van de feestcommissie, ik heb het den jubilaris alles van harte gaarne gegund. Maar voor het overige was deze avond veeleer geschikt om weemoedige gevoelens wakker te roepen, althans bij ons ouderen die de schoone dagen van weleer nog in herinnering behouden. Onwillekeurig moest ik zoo een kwart eeuw terugdenken, toen wij een Opera hadden die er wezen mocht, waar wij mede voor den dag konden komen, toen er buitengewone artisten hunne diensten kwamen bieden. Toen hadden wij Urlus en Orelio, toen hadden wij Henri Albers en Anton van Rooy, Desiré Pauwels, Joseph Tyssen, Chris de Vos, allemaal menschen voor wie de wereld open stond! En thans! Neen, hier baat geen ontkennen; op het oogenblik is het vrij treurig met onze Opera gesteld, al geloof ik ook gaarne, dat men hard werkt en zijn uiterste best doet. Doch een Opera zonder groote artisten kan niet bestaan, tenzij men zich met een „Provinz-Bühne" tevreden wil stellen, en nu zal iedereen moeten toegeven, dat er op het moment in ons land niet voldoende krachten zijn (menschen die het vak in al zijn finesses geleerd

hebben) welke men voor het samenstellen van een behoorlijk operagezelschap noodig heeft. De feestavond van Urlus heeft dat weer eens duidelijk gemaakt. Want wanneer de gast Urlus straks weer weg is naar den vreemde, waar is dan de tenor van dit gezelschap? En waar is de „Jugendliche" dramatische?" Omdat Mevrouw van Raalte ongesteld was, moest de Elsapartij gezongen worden door een niet ervaren zangeres, die natuurlijk van deze moeielijkste van alle partijen slechts weinig terecht kon brengen. Ik zou nog veel meer tekortkomingen kunnen opnoemen, wil echter volstaan met erop te wijzen, dat alleen Mevrouw Poolman—Meisner en Van Helvoirt Pel artisten van beteekenis zijn, doch met twee zeer goede krachten kan men toch geen Opera op de been houden.

Ik heb het bij vorige gelegenheden al eens gezegd: wanneer de eene Nederlandsche Opera verdween, placht er na een of twee of drie weken weer een andere ie komen die op haar beurt failliet ging en opnieuw vervangen werd. Dat er op die wijze natuurlijk nimmer verbetering te wachten was sprak vanzelf. Van het begin af heb ik ook van deze allernieuwste onderneming geen groote verwachtingen gekoesterd. Natuurlijk hoop ik van ganscher harte, dat de „Co-opera-tie" wèl tot bloei geraken zal, zoowel in het belang van de muzikaal-dramatische Kunst ten onzent als in dat van al de menschen die er aan verbonden zijn; stel echter het geval dat het na eenigen tijd ook met deze onderneming niet vlotten wil, dat ze opgedoekt wordt, dan moet iedere poging meteen weer wat anders te beginnen zoo energiek mogelijk tegengegaan worden. Gaat deze Opera (nog eens: wat ik volstrekt niet wensch) ook mis, dan moeten wij eens een paar jaar pauzeeren; dan moet er eerst druk en lang geconfereerd worden door kunstenaars en mannen die voor de Opera voelen en er graag wat

Sluiten