Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

DE VEREENIGDE

Zeit zum Vibrieren und Ausklingen zu lassen. Dadurch wurde der Ton nicht nur verlangert, sondern auch verschönert, und der Meister sah sich imstand gesetzt, selbst auf einem so tonarmen Instrument wie das Klavichord war, sangbar und zusammen-

hangend zu spielen Bach's Anschlag

war also durch und durch modern, denn alle neueren and neuesten Untersuchungen über das „Singen" auf dem Klavier stimmen darin überein, dasz sie es nicht nur vom Niederdrücken, sondern ebenso sehr von der Regulierung des Aufsteigens der Taste abhangig sein lassen. Auch darin ist Bach ganz modern, dasz er nicht von einem „Anschlag," sondern nur von einer bewuszten Kraft- und Druckübertragung auf die Taste geredet haben wollte".... Inderdaad: door en door modern! Is het niet, alsof wij eenige bladzijden uit: ,,La Musique et le Psycho-Physiologie" van Marie Jaëll lazen?

Onder Bach's biografen en aesthetici noemt Schweitzer natuurlijk allereerst Forkel, (aan wien hij ook bovenaangehaalde passage ontleent), Rochlitz, Zeiter en dan ook den fijnen, kunstzinnigen Johan Theodoor Mosewius (1788—1858), die verscheidene cantaten van den Meester uitvoerde met zijne in 1825 opgerichte „Singacademie", en die tevens in zijn geschriften bewees diep in Bach's geest te zijn doorgedrongen. Mosewius is de eerste die ontdekte welk een schilder-met-tonen Bach ten slotte is, zóózeer, dat hij bijna voortdurend den inhoud der woorden in zijn muziek plastisch weergeeft. Mosewius schrijft o.a.: „Bach teekent staan en loopen, rusten en voortijlen, opstaan en zich buigen met een naïveteit, die bijna denken doet aan de kunst in haar eerste uitingen. Zijn latere werken toonen in dit opzicht een steeds grooter wordende bezonkenheid. Zonder dat hij deze détailschildering opgeeft, treedt zij later meer op als onderdeel van het geheel, zij is dan als het ware

TIJDSCHRIFTEN

opgenomen in den melodischen vorm, dien hij zijnen werken geeft." Schweitzer voegt er bij, dat Mosewius tevens de laatste astheticus was, die Bach zoo onbevangen beoordeelde. Latere critici zullen den Meester betrekken in een strijd om beginselen, waarmede hij niets had uit te staan.

De hoofdstukken 13—19 behandelen Bach's werken voor orgel, klavier, viool, die voor kamermuziek en orkest met een gedetailleerde uiteenzetting betreffende hun vertolking. Ook hier treden op iedere bladzijde Schweitzer's bewondering en eerbied voor den grootmeester Bach aan het licht. Men leze zijne geestdriftige woorden over het „Wohltemperirte Klavier": „Wer diese wunderbare Beruhigung einmal mitempfunden hat (die van dit werk uitgaat), hat den rathselhaften Geist, der hier seine Weltanschauung in der Geheimsprache der Töne preisgiebt, verstanden, und dankt ihm darum, wie man den einzig groszen Geistern dankt, denen es gegeben ist, Menschen mit den Leben zu versöhnen und zum Frieden zu bringen."

(Wordt vervolgd.)

mm iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiim^

Belangrijke Data,

1 Jan. f Johan Christian Bach 1735 — 1782.

* Anton van Rooy 1870.

2 „ * Mily Alexwitsj Balakiref 1837—1910.

3 „ * Thomas Johannes Denijs 1877.

f Moritz Hauptmann 1792—1868.

* Nicolas Jacques Lemmens 1823—1881. f Giovanni Battista Pergolesi 1710—1736. f Stephan Raoul Pugno 1852—1914.

4 „ ï Karl Goldmark 1830—1915.

5 „ * Johannes Hendrikus Bekker 1826—1907.

f Johannes Hendrikus Bekker 1826-1907. f Antonio Lotti 1667—1740.

* Johan Schmier 1852—1916.

6 „ f Rudolphe Kreutzer 1766—1831.

7 „ * Willem Petri 1865.

* Sigismund Thalberg 1812—1871.

* Max Bruch 1838—1920.

* Hans Guido von Bülow 1830—1894.

::' Franz Xaver Scharwenka 1850—1924. 9 „ * Jacobus Urlus 1867.

Sluiten