Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CAECILIA EN HET MUZIEKCOLLEGE

83

taal. De elementen van die taal zijn reeds in kiem vervat in het „Orgelbüchlein". De tegenmelodieën der verschillende koralen zijn zoovele motieven tot wedergave voor gevoelens en voorstellingen, die Bach wil vertolken. Daarom kan men zeggen, dat het „Orgelbüchlein" het woordenboek is voor de taal, die Bach bezigt."

De dualiteit van „schilder-toondichter" verklaart Schweitzer uit het feit, dat iedere kunstenaar als het ware een agglomeraat van de verschillende kunsten is. De kunstenaar is niet enkel schilder of enkel

musicus, maar hij is alles tegelijk Bij

den eenen domineert deze kant, bij den anderen gene, en zoo kiezen zij die speciale uitingswijze, die het meest met hun aanleg overeenkomt. Schweitzer wijst terloops er op, dat het geslacht Bach vele schilders heeft voortgebracht, en haalt daarna voorbeelden aan, om zijn stelling te bewijzen: Goethe, die geruimen tijd niet met zichzelf eens was, of hij de dichtkunst of de schilderkunst bij voorkeur zou beoefenen, en die zijn leven lang een schilderend dichter bleef, Michel Angelo, van wien men niet weet, wat het meest in hem te bewonderen: den schilder, den bouwmeester of den dichter. Böcklin, die een dichter is onder de schilders, Wagner, de dichter-componist niet te vergeten, en bovenal dat geniale, mensch geworden wonder, dat Leonardo da Vinei heette. Heeft niet Henri Bergson, aan het slot van zijn geestig boek: „Le Rire," een onvergetelijke bladzijde geschreven, waarin hij eveneens de kunst ons toont als één-en-ondeelbaar?

En waarom — (vraagt Schweitzer), indien dit alles zoo eenvoudig en waar is — heeft men dan zoo hartstochtelijk geijverd vóór de zoog. „absolute" en tegen de zoog. „programmamuziek?" Schweitzer geeft ons tevens het antwoord: omdat de kunsten, niet tevreden met het hun aangewezen terrein, steeds trachten door te dringen in

het gebied hunner zusters. De muziek wil schilderen en vertellen; de dichtkunst wil tastbare dingen voorstellen en de schilderkunst wil dichterlijke gevoelens vertolken. Het is volstrekt niet enkel de muziek, die zich hieraan schuldig maakt. Wèl is de muziek vrij spoedig aan de grenzen van haar gebied gekomen. Zij kan n.1. geen concrete dingen weergeven. Probeert zij dat, dan ontstaat een valsche kunst, die zich tot taak stelt een doel te bereiken, dat niet in haar macht ligt. Uit tegenzin tegen deze onware kunst kwam men er toe alle dichterlijke en schilderachtige bedoelingen uit de muziek te verbannen, het wachtwoord: „absolute muziek" uit te geven, en de namen Bach en Beethoven op de nieuwe banier te schrijven. Zeer ten onrechte!

Schweitzer maakt een scherp onderscheid tusschen componisten, die in tonen „schilderen" en hen die in tonen „dichten." Tot de eerste categorie rekent hij Bach, Schubert, Berlioz, tot de tweede Beethoven en Wagner. Ik haal even een eigenaardig citaat aan: „In der Begleitung der Schubertschen Lieder steekt mehr realistische Tonmalerei als in samtlichen Musikdramen des Meisters der Nibelungen Trilogie!"

Het hoofdstuk: „Wort und Ton bei Bach" begint Schweitzer aldus: „Het verband tusschen de muziek van Bach en den tekst is zoo volkomen, als men het zich maar kan voorstellen. Zijn toonphrasen zijn tot tonen omgesmeede woord-zinnen. Dat die perioden tegelijkertijd zoo zuiver melodisch zijn, komt hier van daan, dat zijn intuïtie voor den juisten vorm zoo scherp was. Een vocaal thema van Bach is allereerst een declamatorisch gebouwde volzin, die tevens — door een zich voortdurend herhalend wonder — de meest volmaakt melodische gestalte aanneemt, onverschillig of het een recitatief, een anoso, eene aria of een koor is.

Te meer heeft men hierin een wonder te zien, omdat de teksten, die Bach ten

Sluiten