Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

100

DE VEREENIGDE TIJDSCHRIFTEN

lang niet zoo vast aaneen gedrukt zijn, als bij den harden borstaanzet. Ik heb waargenomen, dat de fluittoon zich op geen enkelen vocaal gunstiger laat ontwikkelen dan op oe, vervolgens ook op u. In de eerste plaats staat bij oe het strottenhoofd het laagst, in de tweede plaats zijn de lippen het meest naar voren gebracht en de wangen ingetrokken, zoodat het aanzetstuk den langsten en smalsten vorm heeft aangenomen welke mogelijk is.

Juist de vocalen oe en u, welke zooals men weet met borstaanzet het moeilijkste te zingen zijn, omdat de neuskeelholte zich sluit, terwijl de huig zich naar boven trekt, lukken met middelstem het beste en versterken zich opvallend snel tot klanken, welke bij de borsttonen in sterkte niet ten achter staan en deze zelfs in weekheid, schoonheid en lichtheid verre overtreffen. O en a moeten naar u, a en ö (Duitsche klinkers), en ee naar u gekleurd worden, indien de ontwikkeling ideaal wil zijn; ee en a zijn als meest open vocalen het moeilijkste met den fluittoon te verbinden.

De gunstigste medeklinker om, in combinatie met de vocaal oe den fluittoon te ontwikkelen is k. Men oefene vlijtig het woord „koekoek", waarbij men koengkoeng denkt. Door de voorstelling van het „ng" n.1. daalt de huig en opent zich de neuskeelholte. Men moet de vocaal oe dus niet voor op de lippen willen vormen, maar, als alle vocalen, achterin de neuskeelholte, achter de huig; de onderkaak moet ver naar beneden en naar voren geschoven zijn, terwijl de punt van de tong beneden aan de onderste snijtanden gedrukt wordt. Men stelle zich voor, dat men een holle fluittoon wil vormen, waarbij de neuskeelholte een holle flesch is. De consonant k is zeer belangrijk, omdat de wortel der tong eerst hoog is opgetrokken, zoodra oe aangezet wordt zinkt deze diep naar beneden en maakt de beweging der onderkaak mee. Hierdoor wordt de keel en de neuskeelholte geopend.

Iedere leeraar moest eigenlijk reeds in de laagste klassen, iedere koordirigent in zijn vereeniging deze oefeningen laten uitvoeren. Hij zou verbaasd staan over den glans der stemmen, den grooten omvang en de makkelijke hoogte. Het is in den grond verkeerd, bang te zijn voor de hoogte en te meenen, dat voor de kinderstemmen de inspanning te groot zou zijn. Het is juist omgekeerd: bij den kleinen omvang der kinderliederen raken de kleinen te eerder in den borstklank. In de hoogte kunnen zij niet anders dan juist zingen, wanneer de fluittoon juist geoefend wordt. Hoe meer de vocalen achter in de neuskeelholte als het ware gapend worden aangezet, des te meer zitten ze vrij vóóraan. In het bijzonder heeft de oud Italiaansche school met haar voor in den mond aanzetten en het oefenen op een vlakke a veel schade aangericht.

Het is ergerlijk, wanneer beweerd wordt, dat onder het zingen in het gezicht geen spanningen mogen bestaan. Dit is slechts het geval bij verkeerden borstaanzet. Bij den idealen fluit-tongtoon is de spanning der bovenlip, neusvleugels, wangen en tong buitengewoon groot. De spanning der tong is het moeilijkst te verkrijgen, omdat in het begin de tongwortel de keelruimte vernauwen wil in plaats van haar te verwijden. Later wordt de tong met groote spanning op den bodem der mondholte gedrukt, zonder dat een kaaktoon ontstaat of dat de toon door krampachtigen druk op het strottenhoofd wordt verpletterd. Tegelijk wordt het tongbeen naar voren getrokken, waardoor de valsche stembanden zich meer en meer van de echte verwijderen, het Morgagni-ventrikel wordt opgeblazen, de keel wordt wijd, zoodat men altijd moet gapen; zoo zongen Caruso en alle goede zangers. Tonen zonder gaapgewaarwording zijn altijd slecht. De slechte zanger heeft het gevoel als werd hij gewurgd, de goede alsof van binnen alles wijd en open is. Zoo wordt

Sluiten